Rb. Amsterdam 19 september 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7018
Verweer, artikel 2 OLW, feiten te weinig concreet omschreven. De rechtbank is van oordeel dat plaats, tijdstip en mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon voldoende concreet in het EAB staan omschreven. Voor zover nodig heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de periode nog nader toegelicht, in haar e-mail van 29 augustus 2014. De stelling van de raadsvrouw dat het EAB uitgangspunt voor de beoordeling moet zijn en dat de in de e-mail gegeven informatie daarvoor niet relevant is, berust op een misvatting, gelet op de bevoegdheid die artikel 20, derde lid OLW de officier van justitie geeft. De rechtbank overweegt verder dat het hier een vervolging betreft en dat op basis van de onderzoeksresultaten, waaronder begrepen het verhoor van de opgeëiste persoon als verdachte – welk verhoor nog in Duitsland moet plaatsvinden –, de definitieve tenlastelegging zal worden opgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de feitsomschrijving in het EAB aan de eisen die artikel 2, tweede lid onder e OLW stelt en waarborgt deze omschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel. Onschuldverweer verworpen. Dat de opgeëiste persoon in detentie heeft gezeten hoeft zijn betrokkenheid bij de feiten niet uit te sluiten. Een redelijk vermoeden aan schuld behoeft niet nader te worden onderbouwd in de overleveringsprocedure.
De uitspraak op rechtspraak.nl