Rb. Amsterdam 11 juli 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:4146

Een (oud) raadsheer van het gerechtshof Leeuwarden wordt veroordeeld voor schending van het geheim van de raadkamer in 2007. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de officier van justitie in Amsterdam niet bevoegd zou zijn tot vervolging over te gaan omdat de officier van justitie in Groningen in 2008 een sepotbeslissing heeft genomen. De rechtbank overweegt ten aanzien van het bewijs dat het raadkamergeheim niet alleen de uitlatingen van collega-rechters, maar ook de eigen positie in de raadkamer omvat. Verdachte heeft met zijn mededeling inzicht gegeven in zijn eigen positie in de raadkamer en daarmee zijn geheimhoudingsplicht geschonden. Gelet op de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak dient te worden afgehandeld, het relatief beperkte karakter van de schending van het raadkamergeheim alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte, volstaat de rechtbank met een schuldigverklaring van verdachte en zal de rechtbank geen straf opleggen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen