Rb. Amsterdam 20 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ8616

De Rb. hecht daarbij in het bijzonder belang aan het feit dat het schadefonds geweldsmisdrijven in het leven is geroepen om in bepaalde schrijnende gevallen uitkeringen te doen aan personen die zwaar lichamelijk letsel hebben geleden als gevolg van een geweldsmisdrijf waarbij zij buiten hun schuld betrokken waren. De uitkeringen hebben het karakter van een tegemoetkoming in de schade die door het letsel is veroorzaakt. Wie (mede-)schuld heeft aan het ontstaan van het misdrijf behoort in beginsel niet voor de schade die hij geheel of ten dele aan zichzelf te wijten heeft, een uitkering uit de gemeenschapsmiddelen te ontvangen. De Rb. verwijst in dit verband naar de mvt bij de Voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven (Kamerstukken II 1972, 12 131, nr. 3, p. 4 en 6). Weliswaar volgt uit de door eiser aangehaalde passage uit de wetgeschiedenis dat bij de formulering van art. 5 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven is aangesloten bij het civielrechtelijke art. 1401 van het oude Burgerlijk Wetboek, maar de wetgever heeft voorts benadrukt dat het gaat om een uitkering van overheidswege die naar redelijkheid en billijkheid wordt vastgesteld en niet om een civielrechtelijke aansprakelijkheidsvergoeding (zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3. p. 25). Naar het oordeel van de Rb. heeft verweerder dan ook in redelijkheid kunnen bepalen dat de aanvraag om een uitkering uit het schadefonds wordt afgewezen wanneer aannemelijk is dat een causaal verband bestaat tussen het gepleegde geweldsmisdrijf en de omstandigheid dat het slachtoffer in het criminele circuit verkeert.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen