Rb. Amsterdam 18 juli 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX1952

Poging liquidatie en voorbereidingshandelingen daartoe. Vormverzuim in voorbereidend onderzoek en daaraan te verbinden gevolgen. De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat opzettelijk onjuiste informatie ten grondslag is gelegd aan het onderzoek in deze zaak, een getuige onder zware druk is gezet om belastend over deze verdachten te verklaren en het opsporingsonderzoek vanuit een tunnelvisie is verricht. De rechtbank stelt vast dat de start van het onderzoek gebaseerd is geweest op onjuiste informatie. Waar de verdediging stelt dat die informatie opzettelijk is verstrekt ter misleiding van de rechter-commissaris en de rechtbank, oordeelt de rechtbank echter dat dat niet aannemelijk is geworden. Daarom verbindt de rechtbank daaraan de consequentie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie noch van bewijsuitsluiting. Wel leidt dit tot strafvermindering met zes maanden. De overige omstandigheden waarop het niet-ontvankelijkheidsverweer is gestoeld zijn evenmin aannemelijk geworden. Uitvoerige overwegingen over betrouwbaarheid en bruikbaarheid van technisch bewijs, alsmede over de door de rechtbank bevestigend beantwoorde vraag of de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard. Volgt een veroordeling tot twaalf jaar gevangenisstraf voor de langdurig in voorarrest – onder het zware ebi-regime – verblijvende verdachte.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen