Rb. Amsterdam 3 december 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:9445
Uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika toegestaan. Verweer: Mede onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 9 juni 1998, Arrest 1l) heeft de raadsman verzocht de overlevering te weigeren en heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon door een undercover agent van de DEA is uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten terwijl deze undercover agent op Nederlandse bodem opereerde. Hierdoor is de soevereiniteit van Nederland op onaanvaardbare wijze geschonden en wordt de opgeëiste persoon na uitlevering blootgesteld aan een dreigende flagrante schending van zijn bij het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde rechten, met name het in artikel 6 van dit Verdrag gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Oordeel rechtbank: Vooropgesteld moet worden dat de rechter die oordeelt over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in beginsel geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijsmateriaal dat de verzoekende Staat ter staving van de verdenking bij het verzoek tot uitlevering overlegt. Dat geldt evenzeer in geval het bewijs in Nederland ten behoeve van de Staat die uitlevering verzoekt is vergaard met behulp van door Nederland als aangezochte Staat verleende rechtshulp. Dit zou slechts anders kunnen zijn, indien zou blijken dat de opgeëiste persoon door de uitlevering het risico zou lopen te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht (vgl. HR 7 september 2004, NJ 2004, 595). Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de opgeëiste persoon is gebracht tot andere handelingen dan waarop zijn opzet reeds was gericht of dat er anderszins sprake is van een zodanig risico. De verdediging heeft evenmin aangevoerd dat de opgeëiste persoon ter zake geen rechtsmiddel ten dienste zou staan in de verzoekende staat. Ook van een ongeoorloofde inbreuk op de Nederlandse soevereiniteit is de rechtbank niet gebleken. Zij overweegt daarbij dat ook Nederlandse opsporingsambtenaren betrokken waren bij de opsporing en de bewijsgaring en vertrouwt op de mededeling van de officier van justitie dat de regels van de Nederlandse strafvordering daarbij zijn nageleefd.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 47 Sr
- Artikel 420bis Sr
- Artikel 126h Sv
- Artikel 2 Opw
- Artikel 10 Opw
- Artikel 2 UW
- Artikel 5 UW
- Artikel 18 UW
- Artikel 23 UW
- Artikel 31 UW
- Artikel 1 EVRM
- Artikel 6 EVRM
- Artikel 1 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika
- Artikel 2 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika
- Artikel 9 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika
- Artikel 11 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika