Rb. Amsterdam 4 januari 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BV0448

Beëindiging WAO-uitkering wegens onttrekking aan detentie. Artikel 43, zesde lid, WAO. Voor het oordeel dat de uitkeringsgerechtigde zich heeft onttrokken aan detentie, is vereist dat komt vast te staan dat de uitkeringsgerechtigde wist of redelijkerwijs kon weten dat hij is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende maatregel of eventueel op de hoogte is van de omzetting van een taakstraf in een vrijheidsbenemende maatregel. Het rauwelijks beëindigen van de WAO-uitkering is in strijd met de zorgvuldigheid. De zorgvuldigheid die bij de voorbereiding en het nemen van een zodanig belastend besluit is vereist, maakt het noodzakelijk dat verweerder de betrokkene in de gelegenheid stelt om op de gegevens van het CJIB en het voorgenomen besluit tot intrekking te reageren alvorens met voldoende zekerheid te kunnen vaststellen dat sprake is van onttrekking en de primaire besluiten te nemen. Naar het inzicht van de rechtbank zou het stellen van een termijn van een maand voor een reactie van de betrokkene in overeenstemming kunnen worden geacht met de vereiste zorgvuldigheid. De rechtbank is verder van oordeel dat beëindiging van de WAO-uitkeringen, zonder vooraankondiging, na afloop van de zes maandentermijn van de overgangsregeling in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM, nu de overgangsregeling tot doel heeft dat de betrokkene zich voldoende kan voorbereiden op de ontneming van zijn eigendom, het recht op uitkering. Verweerder heeft eisers feitelijk die gelegenheid echter niet geboden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen