Rb. Amsterdam 23 april 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:9138
Verzoeker is voor de rechter-commissaris verschenen om gehoord te worden ter toetsing van de inverzekeringstelling en op de vordering tot inbewaringstelling. Het verzoek is ingediend omdat de raadsvrouw onvoldoende tijd heeft gekregen om met verzoeker te spreken buiten aanwezigheid van de parketpolitie. De vrees van vooringenomenheid is vervolgens bevestigd door het feit dat de rechter-commissaris na het verzoek tot wraking en ondanks de door de raadsvrouw daartegen geuite bezwaren toch is doorgegaan met handelingen waartegen het verzoek was gericht. Volgens het wrakingsprotocol van de rechtbank dient de rechter, wiens wraking is verzocht zich na het wrakingsverzoek van verdere bemoeiingen met de zaak te onthouden, voor zover deze uitstel gedogen of door andere rechters kunnen worden verricht. De rechter-commissaris heeft niet onderzocht of het noodzakelijk was dat de voorgeleiding voor haar diende plaats te vinden. De termijn waarbinnen deze plaats diende te vinden was nog niet verstreken. Evenmin is onderzocht of een andere rechter-commissaris de voorgeleiding kon doen. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft de rechter een processuele beslissing genomen die gelet op de toelichting van de rechter niet onbegrijpelijk is. De omstandigheid dat de rechter na indiening van het wrakingsverzoek de voorgeleiding heeft voortgezet, onder te onderzoeken of haar bemoeiingen uitstel gedoogden, zou grond kunnen geven aan de vrees van vooringenomenheid. Dit is echter geen afzonderlijke grond tot wraking.
De uitspraak op rechtspraak.nl