Rb. Amsterdam 24 november 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BW7965

Art. 474g Rv. Verzoekster heeft ten laste van verweerders executoriaal beslag gelegd op de aandelen die verweerder sub 2 houdt in verweerster sub 1 en de aandelen die verweerster sub 1 houdt in haar dochtervennootschappen. Verzoekster verzoekt de rechtbank te bepalen binnen welke termijn tot verkoop en overdracht van de in beslag genomen aandelen zal worden overgegaan en op welke wijze en onder welke voorwaarden deze verkoop zal dienen plaats te vinden. De medeaandeelhouders van verweerders dienen een dag voor de mondelinge behandeling een verzoek in met het doel te worden toegelaten als belanghebbenden. De rechtbank wijst dit verzoek van de medeaandeelhouders af op de voet van art. 3:13 lid 2 BW. De beslagen zijn bijna anderhalf jaar geleden gelegd en niet gesteld of gebleken is dat de medeaandeelhouders eerst kort voor de dag waarop het verzoek werd ingediend, op de hoogte waren van de gelegde beslagen. Dit is gezien de omstandigheden ook onwaarschijnlijk. Het belang van verzoekster bij executoriale verkoop van de aandelen zonder verdere vertraging weegt dan ook zwaarder dan het (mogelijke) belang van de medeaandeelhouders om als belanghebbende te worden gehoord. De rechtbank bepaalt dat de aandelen in de dochtervennootschappen zullen worden verkocht door middel van openbare verkoop (veiling) en stelt enkele verdere voorwaarden voor die verkoop. De rechtbank bepaalt dat de prospectusplicht van art. 5:2 Wft niet op de onderhavige executoriale verkoop van toepassing is en verwijst daarbij naar art. 7:19 BW.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen