Rb. Amsterdam 23 december 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BV7174

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 26 oktober 2005, LJN: AU4987) is De Nederlandsche Bank (DNB) een naamloze vennootschap, dat wil zeggen een privaatrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Zij is dan ook geen rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld en geen bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Bepalend voor de vraag of DNB kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, is de vraag of haar één of meer overheidstaken zijn opgedragen en de daarvoor benodigde publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend. Zoals DNB terecht heeft gesteld, zijn aan haar overheidstaken opgedragen en de daarvoor benodigde publiekrechtelijke bevoegdheden toegekend, en is zij ten aanzien van die overheidstaken, voor zover die haar op grond van nationaal publiekrecht zijn opgedragen, dan ook een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Onder verwijzing naar de eerdere uitspraak van deze rechtbank van 19 juli 2011, LJN: BR3099, overweegt de rechtbank verder dat DNB, gelet op het bepaalde in artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit, als bestuursorgaan van de Wob is uitgezonderd voor zover zij is belast met werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met de daarin omschreven taken en bevoegdheden. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank geen grond ziet voor het oordeel dat de Wob van toepassing is op alle bij DNB beschikbare audits van declaraties en declaratieregelingen. De Wob is uitsluitend van toepassing op audits van declaraties, die betrekking hebben op kosten die zijn gemaakt in de uitoefening van overheidstaken en (nationaal) publiekrechtelijke bevoegdheden die zijn toegekend en die niet voortvloeien uit dan wel verband houden met taken op grond van de wetgeving die is vermeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit en die uit de Nederlandse publieke middelen zijn betaald. Hetzelfde geldt voor de daarop betrekking hebbende declaratieregelingen. Vaste rechtspraak van de Afdeling is dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt, is om aannemelijk te maken dat - in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan - een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2011, LJN: BR0517). De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de mededeling van DNB dat zij, na onderzoek te hebben verricht, heeft geconstateerd dat zij niet beschikt over audits op declaraties en declaratieregelingen in de hiervoor bedoelde zin, ongeloofwaardig is. Hetzelfde geldt voor de mededeling dat externe audits naar declaraties in het geheel niet zijn verricht. RTL heeft verder naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat DNB wel over dergelijke documenten beschikt. Dit betekent dat er ook geen grond is voor het oordeel dat DNB heeft nagelaten door RTL gevraagde documenten openbaar te maken, die op grond van de Wob openbaar hadden moeten worden gemaakt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen