Rb. Amsterdam 21 september 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BU9768
Schriftelijk verzoek tot wraking ex art 512 Sv. Het verzoek betreft een rechter-commissaris. Het verzoek is afgewezen. Het verzoek tot wraking berust op de grond dat de rechter-commissaris de verzoeken heeft afgewezen op de verkeerde grond, althans aan de hand van de verkeerde maatstaf. Ten aanzien van het verzoek tot het horen van de verzochte getuigen stelt verzoekster dat zij heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 263 lid 3 Sv. Verzoekster heeft de getuigen zo nauwkeurig mogelijk in het verzoek omschreven. Aangenomen mag worden aangenomen dat verzoekster en haar raadsman geen nadere omschrijving kunnen verkrijgen van de genoemde getuigen. De rechter-commissaris krijgt die informatie wel. Het had, als de rechter-commissaris dit niet tot haar taken vindt behoren, op haar weg gelegen de officier van justitie te vragen om nader onderzoek te doen. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft de rechter haar beslissing gemotiveerd, zij het summier. Dat zij daarbij naar een onjuiste maatstaf heeft verwezen maakt de beslissing, mede gelet op de door haar ter zitting gegeven toelichting, nog niet onbegrijpelijk. Ten aanzien van het verzoek tot het horen van de andere verzochte getuigen heeft de rechter-commissaris -gelet op de door haar ter zitting gegeven toelichting- in de motivering van de beslissing kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat op grond van de door de raadsman van verzoekster aangeleverde gegevens zij het niet mogelijk achtte deze getuigen op te roepen. Aldus bezien kan, naar het oordeel van de wrakingskamer, niet worden gezegd dat de door de rechter-commissaris genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat zij zijn ingegeven door vooringenomenheid van de rechter-commissaris jegens verzoekster.
De uitspraak op rechtspraak.nl