Rb. Amsterdam 6 oktober 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BT6955

Een advocatenkantoor heeft geweigerd, met een beroep op het verschoningsrecht van een advocaat en het informeel verschoningsrecht van een belastingadviseur om de Belastingdienst inzage te verstrekken in het dossier betreffende vier (met elkaar verwante) belastingplichtigen. De Belastingdienst vordert thans in kort geding inzage in het dossier. Volgens de Belastingdienst zit in dit dossier in ieder geval een brief met vijftien handgeschreven vellen van een van de belastingplichtigen, waarin feitelijke informatie is opgenomen over buitenlandse effectenportefeuilles. De Belastingdienst heeft bij een huiszoeking informatie gevonden die wijst op buitenlandse beleggingsportefeuilles tot een bedrag van 31 miljoen gulden, die niet zijn opgegeven en heeft naheffingsaanslagen opgelegd. De belastingplichtigen hebben een machtiging om hen jegens de Belastingdienst te vertegenwoordigen verstrekt aan de belastingadviseur of diens kantoorgenoot. De belastingadviseur heeft een kantoorgenoot die advocaat was ingeschakeld die hem in de behandeling van het dossier bijstond. Het dossier was in twee delen gesplitst: een deel van de advocaat en een deel van de belastingadviseur. De voorzieningenrechter oordeelt dat degene die zich wendt tot een advocaat om rechtshulp te verkrijgen in een fiscale zaak, erop mag rekenen dat wat hij die advocaat toevertrouwt onder het verschoningsrecht van de advocaat valt. Nu echter in dit geval de belastingplichtige zich niet had gewend tot een advocaat maar tot een belastingadviseur, zijn de gegevens voor zover deze zijn verstrekt aan de advocaat die door de belastingadviseur was ingeschakeld niet aan haar toevertrouwd in haar hoedanigheid als advocaat en komt haar geen formeel verschoningsrecht toe. De belastingadviseur heeft een informeel verschoningsrecht en de advocaat heeft een daarvan afgeleid informeel verschoningsrecht. Met betrekking tot de omvang van dit verschoningsrecht, oordeelt de voorzieningenrechter dat het verschoningsrecht niet ziet op door de belastingplichtige verstrekte feitelijke gegevens betreffende eventuele buitenlandse effectenportefeuilles. Het is niet in strijd met het fair play beginsel als de Belastingdienst deze gegevens bij de belastingadviseur opvraagt, omdat de belastingplichtige ook zelf gehouden is deze informatie aan de Belastingdienst te verstrekken. Het is wel in strijd met het fair play beginsel als de Belastingdienst inzage zou krijgen in correspondentie tussen de belastingplichtige en de belastingadviseur voor zover daarin zaken worden besproken als de verschillende opties die de belastingplichtige ten dienste staan, de toelaatbaarheid en eventuele risico’s van bepaalde keuzes, de jegens de Belastingdienst te volgen strategie etc. etc. Mocht de genoemde brief bestaande uit vijftien vellen op dergelijke zaken mede betrekking hebben, dan dient deze brief te worden geschoond in die zin dat dergelijke passages worden verwijderd alvorens het stuk aan de Belastingdienst wordt verstrekt. Met betrekking tot de overige stukken in het dossier beoordeelt de belastingadviseur in beginsel zelf of deze geheim gehouden behoren te worden. Op de belastingadviseur rust geen verplichting een inhoudsopgave van het dossier aan de Belastingdienst te verstrekken of om aan de Belastingdienst op te geven welke stukken aan een opvolgende gemachtigde zijn verzonden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen