Rb. Amsterdam 2 december 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BL8946
verkoop stuk grond, erfpachtovereenkomst, Westermoskee, misbruik van omstandigheden, dwaling en bedrog Gedaagde wil een moskee bouwen voor haar Turkse gemeenschap in Amsterdam en heeft daartoe in samenwerking met een woningbouwvereniging bouwplannen uitgewerkt. Ook de gemeente Amsterdam is bij dit project betrokken. Gedaagde had het perceel grond, waarop de moskee is gepland, in eigendom. Dit perceel heeft gedaagde in 2005 voor 6,13 miljoen euro verkocht aan de Gemeente, die dit vervolgens aan gedaagde in erfpacht heeft terug gegeven. T.a.v. de koopprijs van 6,13 miljoen euro kwamen gedaagde en de Gemeente overeen dat 3 miljoen euro in depot zou worden gegeven bij de notaris en dat dit depotbedrag, vanaf het moment dat er bruikbare bouwvergunningen voor de moskee zouden zijn afgekomen, ter beschikking van gedaagde zou zijn voor het betalen van stichtingskosten. De Gemeente heeft het bedrag van 3 miljoen euro aan de notaris in depot gegeven, maar gedaagde heeft van haar zijde niet willen mee werken aan het vestigen van de overeengekomen erfpacht. Wel heeft gedaagde de overeengekomen canonbedragen aan de Gemeente betaald. De vorderingen van de Gemeente komen erop neer dat gedaagde haar verplichtingen uit de erfpachtovereenkomst dient na te komen en een begin dient te maken met de realisering van de Westermoskee. De Gemeente stelt zich daarbij op het standpunt met de koopsom van 6,13 miljoen euro meer aan gedaagde te hebben betaald dan de waarde van de grond, opdat het voor gedaagde mogelijk zou worden om dit project te realiseren. Gedaagde daarentegen meent dat de gemeente willen en wetens en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de redelijkheid en billijkheid in het algemeen en het recht de belangen van gedaagde en haar aandeelhouders heeft geschaad door de grond voor veel minder te kopen dan de werkelijke waarde. De Gemeente heeft zich volgens gedaagde verrijkt ten koste van de geloofsgemeenschap. Gedaagde bestrijdt daarom dat er een rechtsgeldige overeenkomst met de Gemeente tot stand is gekomen en beroept zich op misbruik van omstandigheden, dwaling en bedrog. De vorderingen van de Gemeente stuiten hierop af, aldus gedaagde. De reconventionele vorderingen van gedaagde hielden onder meer in dat het beslag, dat door de gemeente op het depot was gelegd, werd opgeheven en voorts een verklaring voor recht dat de Gemeente zich jegens haar onrechtmatig had gedragen. Het oordeel van de rechtbank komt er in hoofdzaak op neer dat gedaagde haar stellingen niet heeft aangetoond en de rechtbank stelde de Gemeente, zowel in conventie als in reconventie, dan ook grotendeels in het gelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 162 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 481 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 612 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 700 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 30 Kadw
- Artikel 37 Kadw
- Artikel 6:23 BW6
- Artikel 6:119 BW6
- Artikel 6:119a BW6
- Artikel 3:14 BW3