Rb. Amsterdam 10 oktober 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BC7188

Verkrijgende verjaring door onafgebroken bezit van de percelen A en B gedurende minimaal 20 jaar? Bezit of houderschap? Artikelen 3:105 BW, 3:107 BW, 3:108 BW, 3:109 BW, 3:113 BW, 3:306 BW De kern van het geschil tussen partijen is of eiser (in conventie) gedurende minimaal 20 jaar het ononderbroken bezit van de percelen A en B heeft gehad. De rechtbank komt uiteindelijk tot het oordeel dat het gebruik van de percelen A en B aanvankelijk is begonnen als houderschap en dat naar verkeersopvatting eiser geen bezitter is geworden van de percelen A en B, maar in ieder geval tot 25 april 2006 (althans tot in de loop van 2005) als houder moet worden aangemerkt. Eiser heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld en te bewijzen aangeboden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat reeds eerder dan 25 april 2006 (althans 2005) sprake was van bezit. Het ter zake gedane bewijsaanbod dient dan ook als onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd te worden gepasseerd. Het voorgaande leidt verder tot de conclusie dat eiser (dan wel zijn voorganger) bij de ingebruikneming van de percelen A en B deze is gaan houden in het kader van een (stilzwijgend tot stand gekomen) gebruiksovereenkomst met de Gemeente. Aangezien eiser zich ten opzichte van de Gemeente eerst bij brief van 25 april 2006 (indirect) op het bepaalde in artikel 3:105 BW heeft beroepen, is in ieder geval tot dit moment geen sprake van de verjaring van de revindicatie van de Gemeente op grond van artikel 3:306 BW. Nu nadien de verjaringstermijn niet is voltooid, is een beroep op eigendom, verkregen langs de weg van artikel 3:105 BW, niet aan de orde.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen