Rb. Amsterdam 13 maart 2001, ECLI:NL:RBAMS:2001:AB0942

Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997) onverbindend, nu deze is vastgesteld door een niet bevoegde Minister. Bezwaar tegen het onthouden van opvang ongegrond verklaard. Bij het KB van 5 september 1994, Stb. 1995, 682 (hierna: het KB) is bepaald dat, gelet op art. 44 Grondwet de Minister van Justitie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de opvang van asielzoekers, voor zover deze zorg voor 22 augustus 1994 was opgedragen aan de Minister van WVC. De toelichting op dit KB stelt: "Opgemerkt zij dat door het onderhavige besluit de in de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (...) aan "Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur" opgedragen taken en bevoegdheden van rechtswege zijn overgedragen aan de Minister van Justitie. Een afzonderlijke wetswijziging is hiervoor niet vereist." Art. 44, eerste lid Grondwet betreft een originaire bevoegdheid tot het instellen van ministeries. Hierin noch in de bepalingen van de Wet COA kan evenwel - anders dan verweerder kennelijk van oordeel is - een grondslag worden gelezen voor het overdragen bij KB van bevoegdheden welke op grond van een wet in formele zin toekomen aan een nader genoemde minister. Het standpunt van verweerder zou slechts juist zijn in de situatie dat bij de wet de bevoegde minister niet nader wordt omschreven. Voor die constructie is evenwel niet door de wetgever gekozen. Ook hetgeen bij de totstandkoming van genoemd grondwettelijk voorschrift is verhandeld biedt geen aanknopingspunt voor verweerders stelling. De geciteerde toelichting bij het KB, in het bijzonder de zinsnede dat de bedoelde bevoegdheden bij het KB "van rechtswege" zijn "overgedragen", acht de rechtbank overigens onbegrijpelijk. Aan het voorgaande kan niet afdoen dat bij de totstandkoming van genoemd KB, dat uitvoering geeft aan het regeerakkoord van 13 augustus 1994, door het kabinet en een meerderheid van het parlement is ingestemd met de bedoelde taakoverdracht. In een andere opvatting zou immers worden miskend het staatsrechtelijke onderscheid tussen het overdragen van bepaalde - ministeriële - beleidstaken enerzijds en anderzijds de overdracht van parallelle wettelijke bevoegdheden om die taken rechtens uit te kunnen voeren. Bovendien zou aldus worden miskend dat in het Nederlandse staatsrecht regelingen slechts bij een regel van gelijke orde kunnen worden gewijzigd. Dit uitgangspunt vindt zijn weerslag in art. 5 Wet algemene bepalingen, waarin is bepaald dat een wet alleen door een latere wet voor het geheel of gedeeltelijk, haar kracht kan verliezen. Weliswaar kan de bedoelde bevoegdheid van de minister van WVC door wetswijziging worden overgedragen aan een andere minister, maar de enkele intentie daartoe van kabinet en parlement is - zonder méér - onvoldoende grondslag om de bedoelde bevoegdheden op verweerder te doen overgaan. Nu de wetgever niet voor een andere - meer flexibele - redactie van art. 1 Wet COA heeft gekozen, kan rechtens slechts worden geoordeeld dat de Staatssecretaris van Justitie niet bevoegd is tot het vaststellen en uitvaardigen van de Rva 1997. Uit het voorgaande volgt dat de Rva 1997, nu deze niet door de door de wet aangewezen minister van WVC is vastgesteld, maar door de Staatssecretaris van Justitie, door een daartoe onbevoegde minister is vastgesteld en derhalve onverbindend is. Verweerder heeft zijn beslissing ten onrechte gemotiveerd als zijnde een op grond van deze regeling gebonden beslissing. Gegrond beroep. Het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder. mrs. J.P. Smit, M.F.J.M. de Werd, E.M.M. Gabel Deze uitspraak is tevens met een materieel selectiemotief in de nieuwsbrief opgenomen onder nummer 2001-127 Grondwet 44 Wet algemene bepalingen 5 Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 1.a, 12 Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 4.2

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen