Rb. Alkmaar 1 november 2012, ECLI:NL:RBALK:2012:BY3627

Verweerder heeft terecht bouwvergunning tweede fase verleend voor het oprichten van een schuur met personeelsverblijven. Verweerder heeft geen toepassing hoeven te geven aan het bepaalde in artikel 56a, achtste lid, tweede volzin, van de Woningwet. De rechtbank is van oordeel dat de twee door wanden van elkaar gescheiden ruimten op de eerste verdieping dezelfde gebruiksbestemming hebben en ieder afzonderlijk één gebruikseenheid vormen. De rechtbank volgt eiseres daarmee niet in haar stelling dat iedere slaapkamer als aparte gebruikseenheid dient te worden aangemerkt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de slaapkamers niet vergelijkbaar zijn met hotelkamers of appartementen in een woongebouw. De kamers op de eerste verdieping zijn, anders dan bijvoorbeeld hotelkamers, bestemd voor het verblijf van een homogene groep mensen, te weten het personeel van het strandpaviljoen dat de vergunninghouder exploiteert. Daarnaast maakt het personeel binnen de twee afzonderlijke ruimten gebruik van een gemeenschappelijk kook- en woongedeelte. Gelet op de definitie van het begrip gebruiksfunctie kunnen de twee ruimten naar het oordeel van de rechtbank dan ook ieder afzonderlijk als een gebruiksfunctie worden aangemerkt. Gelet op de definitie van het begrip logiesfunctie kunnen de ruimten daarnaast ieder afzonderlijk als één logiesfunctie worden aangemerkt. De logiesfuncties zijn niet gelegen in een logiesgebouw, zodat de hoogte boven de vloeren in de twee ruimten op grond van het Bouwbesluit 2003 tenminste 2,10 meter dient te bedragen. Aan dat vereiste is voldaan. Verder is niet aannemelijk gemaakt en ook overigens is niet gebleken dat het bouwplan in strijd is met de brandveiligheidseisen van het Bouwbesluit 2003.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen