Rb. Alkmaar 30 augustus 2012, ECLI:NL:RBALK:2012:BX6358

De omstandigheid dat verzoeker als gevolg van de intrekking van zijn jachtakte de hobbymatige jacht niet kan uitoefenen is van onvoldoende gewicht om spoedeisend belang als bedoeld in art. 8:81 Awb aan te nemen, nu niet is gebleken dat het gaat om meer dan een emotioneel belang. Dat verzoeker zijn contractuele verplichtingen om op bepaalde gronden schadebestrijdingshandelingen te verrichten niet zal kunnen nakomen, levert evenmin voldoende spoedeisend belang op omdat niet is gebleken dat zich op die gronden reeds schade heeft gemanifesteerd en onvoldoende grond bestaat om al op voorhand aan te nemen dat er daadwerkelijk schade zal optreden. Aangenomen moet worden dat eventuele schade kan worden voorkomen door het inzetten van een andere jachtaktehouder in de plaats van verzoeker. Zelfs indien schade niet zou kunnen worden voorkomen staan de aard en omvang van de mogelijke schade nog niet vast en staat evenmin op voorhand vast dat verzoeker aansprakelijk zal worden gesteld en tot welke hoogte. Een mogelijke aansprakelijkstelling betreft louter een financieel belang, hetgeen ingevolge vaste jurisprudentie onvoldoende spoedeisend belang oplevert, terwijl gesteld noch gebleken is dat verzoeker door een mogelijke schadeclaim in een acute financiële noodsituatie zal geraken. Het vorenstaande geldt evenzeer voor verzoekers stelling dat hij mogelijke toekomstige opdrachten zal mislopen en bestaande klanten zal verliezen. Dit betreft eveneens een toekomstige, onzekere gebeurtenis en uitsluitend een financieel belang, en om die reden is hierin evenmin voldoende spoedeisend belang gelegen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen