Rb. Alkmaar 23 februari 2012, ECLI:NL:RBALK:2012:BV9282
Reclamebelasting: Rechtbank: Indien een gemeente besluit de opbrengst van een reclamebelasting te besteden aan activiteiten en voorzieningen binnen een bepaald gedeelte van haar grondgebied en zij het object van de heffing heeft beperkt tot openbare aankondigingen in het desbetreffende gedeelte van dat gebied, is sprake van een objectieve en redelijke rechtvaardiging als de gemeente in redelijkheid heeft mogen uitgaan van de veronderstelling dat op deze wijze degenen die profijt kunnen hebben van de opbrengst in de heffing worden betrokken. Uit de toelichting op de tarieventabel bij de Verordening volgt dat 48% - bijna de helft - van de op de het betreffende bedrijventerrein gevestigde ondernemers niet betrokken is in de heffing terwijl zij in gelijke mate profijt kunnen hebben van de besteding van de opbrengst van de heffing als de ondernemers die daarin wel zijn betrokken. Met een dergelijk hoog percentage van buiten de heffing blijvende, mogelijke “profijthebbers”, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat nog sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de heffing in dat gebied. Dit betekent dat deze - tot de ondernemers op het betreffende bedrijventerrein beperkte - heffing van reclamebelasting in strijd moet worden geacht met artikel 227 van de Gemeentewet. De rechtbank herroept de aan eiser opgelegde aanslag reclamebelasting.
De uitspraak op rechtspraak.nl