Rb. Alkmaar 23 februari 2012, ECLI:NL:RBALK:2012:BV7991
Reclamebelasting: De rechtbank is van oordeel dat de gemeente voor het gebied Centrum een reclamebelasting mocht heffen. Er is een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de beperking tot dit gebied, omdat aannemelijk is gemaakt dat de opbrengst wordt besteed ten gunste van de belastingplichtigen die deze hebben opgebracht en een grote meerderheid van de ondernemers in het gebied Centrum, die profijt kunnen hebben van deze opbrengst, in de heffing wordt betrokken. Dat de gemeenteraad heeft besloten de opbrengst te bestemmen door deze aan de SOFA beschikbaar te stellen - die op haar beurt de middelen beschikbaar stelt aan de bedrijvenverenigingen ter uitvoering van de jaarprogramma’s - doet aan de verbindende kracht van de Verordening niet af. Dat volgens eiseres het draagvlak zoals dat uit de uitslag van de enquêtes naar voren komt discutabel is, kan, wat daar overigens van zij, echter niet leiden tot de conclusie dat de legitimiteit van de reclamebelasting ontbreekt. De draagvlakregeling van artikel 5, van de Experimentenwet BI-zones, is immers geen wettelijk vereiste voor toepassing van artikel 227 van de Gemeentewet, betreffende reclamebelasting. Voorts acht de rechtbank de tariefstelling voor het gebied Centrum - die gebaseerd is op de oppervlakte van de openbare aankondigingen (reclame-uitingen) - een heffingsmaatstaf die geen onredelijke en willekeurige belastingheffing oplevert.
De uitspraak op rechtspraak.nl