Rb. Alkmaar 16 april 2008, ECLI:NL:RBALK:2008:BD3169

Een sinds 2002 in Engeland wonende moeder vraagt om het gezamenlijk gezag over een bij haar verblijvend kind te wijzigen in eenhoofdig gezag. Het kind is geboren tijdens haar inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk, maar haar voormalige echtgenoot is niet de biologische vader van het kind. Zij heeft haar voormalige echtgenoot, sinds zij in 1992 naar Nederland is gevlucht, niet meer gezien. De reden voor het verzoek is dat zij bij de uitvoering van het gezamenlijk gezag tegen praktische problemen op loopt en dat communicatie onmogelijk is, omdat de moeder niet weet waar de vader woont. De moeder heeft uitdrukkelijk domicilie gekozen ten kantore van haar procureur in Den Helder. De moeder baseert de bevoegdheid van de rechtbank Alkmaar op artikel 12 lid 1 en lid 3 van de "Brussel II-bis Verordening"". De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de zaak. Dat oordeel is gebaseerd op het bepaalde in artikel 12 lid 1 onder b en lid 3 van voormelde Verordening. De in artikel 12 lid 1 onder b genoemde bepaling houdt in dat de bevoegdheid van het gerecht uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd. De in artikel 12 lid 3 genoemde bepaling houdt in dat het kind een nauwe band heeft met die lidstaat, met name omdat een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft of omdat het kind onderdaan van die lidstaat is, en de bevoegdheid op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle partijen bij de procedure en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen