Conclusie A-G Pauwels 14 april 2023, ECLI:NL:PHR:2023:418
Functionaris Europol; vergoeding immateriële schade en verlies aan arbeidskracht; art. 8(2) en 10(1) Protocol Europol; vrijstelling nationale belastingheffing wegens onderworpenheid aan interne heffing Europol?; gebondenheid nationale autoriteiten aan vaststelling door Europol over interne belastingheffing? Prejudiciële vragen. Deze zaak gaat over de voor de personeelsleden van Europol geldende vrijstelling van nationale inkomstenbelasting op de door Europol betaalde salarissen en emolumenten die onderworpen zijn aan een interne belasting ten bate van Europol. Tijdens een detachering bij Europol van 1 augustus 2000 tot 1 februari 2002 overkomen belanghebbende twee dienstongevallen. Uiteindelijk stelt Europol bij besluit van 13 maart 2012 vast de hoogte van de uitkering waarop belanghebbende recht heeft op grond van art. 57(2)(c) Statuut Europol wegens de ongevallen (de lumpsum). In dat besluit staat ook dat er geen interne Europolbelasting op de lumpsum wordt ingehouden, omdat de lumpsum niet wordt gezien als belastbaar inkomen. De vraag is of belanghebbende voor de lumpsum is onderworpen aan een interne belasting ten bate van Europol en daarmee is vrijgesteld van Nederlandse inkomstenbelasting op grond van art. 8(2) en 10(1) Protocol Europol. Het Hof beantwoordt die vraag – anders dan de Rechtbank – bevestigend. Op grond van de niet in geschil zijnde omstandigheden is belanghebbende in beginsel voor de lumpsum onderworpen aan de interne belastingheffing van Europol. Dat de lumpsum na beëindiging van de detachering is uitbetaald, doet daaraan niet af. Op basis van art. 3(3)(g) Belastingaanhangsel wordt de lumpsum in mindering gebracht op de door Europol te belasten grondslag, zoals Europol bij brief van 18 december 2012 bevestigt, aldus het Hof. A-G Pauwels stelt, voorafgaand aan de beoordeling van het materiële geschil, de betekenis van het besluit van 13 maart 2012 voor deze zaak aan de orde. Gelet op het arrest AB/Finanzamt Wien van het Hof van Justitie rijst namelijk de vraag of dat besluit bindend is voor de nationale autoriteiten bij toepassing van art. 8(2) Protocol Europol. Daarbij speelt een uitlegkwestie, namelijk óf Europol in het besluit van 13 maart 2012 een vaststelling heeft gedaan over de onderworpenheid aan de Europolbelasting, en een rechtskundige kwestie, namelijk of de Nederlandse rechter gebonden is aan die vaststelling voor de toepassing van art. 8(2) Protocol Europol. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging om hierover een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen. Met betrekking tot de materieelrechtelijke kwestie zou de A-G de Hoge Raad adviseren, indien de Hoge Raad autonoom de uitleggingsvragen zou moeten beantwoorden, om de Staatssecretaris in het ongelijk te stellen. Wat betreft de subjectieve belastingplicht voor de Europolbelasting meent de A-G dat het meer voor de hand ligt maatgevend te achten in welke hoedanigheid belanghebbende de lumpsum ontvangt, dan dat het gaat om de status op het moment van vaststelling of ontvangst van de lumpsum. Verder ziet de A-G meer aanknopingspunten voor een zodanig ruime uitleg van het Europolbelasting-loonbegrip dat onder dit begrip ook de lumpsum valt, dan voor een engere uitleg. Aangezien de A-G de uitleg van art. 8(2) en 10(1) Protocol Europol echter niet evident acht, meent hij dat de aangewezen weg is dat het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing wordt verzocht. De A-G doet een tekstvoorstel voor de prejudiciële vragen. Omdat denkbaar is dat beantwoording van de vragen over enerzijds de binding aan het besluit van 13 maart 2012 en anderzijds de uitleg van art. 8(2) en 10(1) Protocol Europol tegenstrijdige aanknopingspunten oplevert voor beslechting van het geschil, stelt de A-G voor ook een derde vraag te stellen over de verhouding tussen de antwoorden op de twee vragen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 3 Statuut
- Artikel 19 Statuut
- Artikel 22 Statuut
- Artikel 30 Statuut
- Artikel 43 Statuut
- Artikel 49 Statuut
- Artikel 56 Statuut
- Artikel 57 Statuut
- Artikel 58 Statuut
- Artikel 59 Statuut
- Artikel 65 Statuut
- Artikel 77 Statuut
- Artikel 85 Statuut
- Artikel 92 Statuut
- Artikel 93 Statuut
- Artikel 1 BIS
- Artikel 3 BIS
- Artikel 8:77 Awb
- Artikel 267 VWEU
- Artikel 33 EOV
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 22 september 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1988
- Rb. Den Haag 10 december 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:12998
- Rb. Midden-Nederland 17 mei 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:3076
- HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:204
- HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3539
- HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2997
- HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF7264
- HR 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0466
- HR 18 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4699
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1960:48
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1974:63
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1974:73
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1981:264
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1982:335
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1987:452
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1993:24
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2005:262
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2005:526
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2005:742
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2012:418