Conclusie A-G Koopman 10 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1011

Wettelijke handelsrente over vordering: ROW?; art. 3:94 Wet IB 2001 Het gaat in deze zaak om de toerekening van een resultaat aan de bron resultaat uit overige werkzaamheden (ROW). Er is veel rechtspraak over dergelijke toerekeningsproblemen, met name als het gaat om de bron winst uit onderneming, maar die rechtspraak is nogal casuïstisch. In deze conclusie leidt de A-G uit rechtspraak en literatuur over deze toerekening een beslisschema af en verkent de A-G of er aanleiding bestaat dit beslisschema aan te vullen met ‘hard and fast rules’ voor concrete situaties. In concreto gaat het in deze zaak om de toerekening van de wettelijke handelsrente die belanghebbende in 2017 heeft ontvangen vanwege de vertraagde uitbetaling van de beloning die hij al in 2010 had moeten ontvangen voor zijn aandeel in de ontwikkeling van een bouwplan. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de rentevergoeding is opgekomen in de ROW-sfeer. De Rechtbank achtte van belang dat de rentevergoeding direct verband houdt met de vordering tot betaling van de beloning en dat die vordering tot het ROW-vermogen behoorde. Behoudens bijzondere omstandigheden, die hier niet aanwezig zijn, moeten de vruchten van dat ROW-vermogen tot het ROW worden gerekend. Zo oordeelde de Rechtbank. Belanghebbende heeft sprongcassatie ingesteld en voert één cassatiemiddel aan. Hij meent dat geen zelfstandige betekenis toekomt aan de omstandigheid dat de vordering tot betaling van de beloning nog behoorde tot zijn ROW-vermogen. Uit rechtspraak en literatuur over toerekening aan de winstsfeer destilleert de A-G het volgende beslisschema: - Overkoepelend is het milieucriterium. - Bij de invulling van dit milieucriterium is in de eerste plaats het causaliteitscriterium behulpzaam, omdat daarmee een buitengrens getrokken wordt. Als geen oorzakelijk verband is aan te wijzen tussen het resultaat en in de onderneming gebruikte arbeid of vermogensbestanddelen, valt het resultaat niet binnen de winstsfeer. - Als er ten minste enige causaliteit aanwezig is, moet aan de hand van een omstandighedencatalogus worden beoordeeld of het resultaat binnen het milieu van de onderneming valt. Omstandigheden die daarbij meewegen zijn: - hoe nauw is het oorzakelijk verband (causaliteit) tussen het resultaat en de onderneming? - met welk doel zijn de handelingen ondernomen die tot het resultaat hebben geleid (het finaliteitscriterium)? - in hoeverre is het resultaat (mede) behaald door inzet van een als ondernemingsvermogen geëtiketteerd vermogensbestanddeel (het etiketteringscriterium)? Deze omstandighedencatalogus is niet limitatief bedoeld. Dit beslisschema leent zich volgens de A-G ook voor toepassing bij toerekening van resultaten aan de bron ROW. De A-G concludeert dat de uitspraak van de Rechtbank in overeenstemming is met het hiervoor weergegeven beslisschema en dat het cassatieberoep ongegrond is. Aan het slot van de conclusie wordt nog ingegaan op de vraag of uw Raad er goed aan zou doen de open normen uit het beslisschema (‘principle based rules’) aan te vullen met gesloten normen (‘rule based regulations’) voor gevallen als dit. De A-G beantwoordt die vraag in ontkennende zin.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken