Conclusie A-G Wattel 18 oktober 2022, ECLI:NL:PHR:2022:964

Herzieningsverzoek. Onbeperkte navorderingstermijn successierecht (art. 66(4) Sw). Kan of moet een kracht van gewijsde van de Hoge Raad herzien worden na een mogelijk andersluidend arrest van het HvJ, naar intern recht (art. 8:119 Awb) of op grond van het effectiviteitsbeginsel van EU-recht? De belanghebbende verzoekt om herziening van het arrest HR BNB 2021/150, ECLI:NL:HR:2021:1189, in zijn zaak en om alsnog rekening te houden met het nadien op 27 januari 2022 gewezen arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) in de zaak C-788/19, Commissie/Spanje. Belanghebbendes zaak HR BNB 2021/150 betrof navordering van erfbelasting over buitenlands vermogen dat via een Edelweiss-route, dus 13 jaar, voor de fiscus was verzwegen. Op basis van de HvJ EU-zaken X en Passenheim-Van Schoot oordeelde de Hoge Raad dat de bevoegdheid van de Inspecteur tot temporeel onbeperkte navordering van erfbelasting over buitenlandse nalatenschapsbestanddelen (art. 66(4) Sw) gebruikt moet worden op een wijze die niet verder gaat dan nodig om belastingfraude te bestrijden en doeltreffende fiscale controles te waarborgen. Wordt langer dan daarvoor nodig over navordering gedaan, dan is navordering een EU-rechtelijk verboden beperking van de verkeersvrijheden, maar de Hoge Raad achtte de navorderingstermijnverlenging in art. 66(4) Sw niet in algemene zin onevenredig met de doelstelling de naleving van de nationale belastingwetgeving te verzekeren; de Hoge Raad oordeelde dat in concreto het gebruik van de navorderingsbevoegdheid niet verder ging dan nodig om belastingfraude te bestrijden en doeltreffende fiscale controles te waarborgen, nu vast stond dat de Inspecteur voortvarend had gehandeld na op de hoogte te zijn gesteld van de vermogensverhulling. A-G Wattel maakt uit het HvJ-arrest Commissie/Spanje en het daarin genoemde HvJ-arrest Geigy/Commissie op dat weliswaar de onbeperkte navorderingstermijn in art. 66(4) Sw mogelijk in abstracto in strijd is met ‘de fundamentele eis van rechtszekerheid’, maar ook dat van schending van EU-recht in belanghebbendes geval in concreto geen sprake is, nu vast staat dat de fiscus in zijn geval – net als de Europese Commissie in de zaak Geigy – voldoende voortvarend heeft gehandeld. Het HvJ EU bevestigde in Commissie/Spanje zijn X en Passenheim-Van Schoot-leer, en wraakte slechts mechanismen die erop neerkomen dat de fiscus in grensoverschrijdende gevallen geen enkele temporele beperking heeft om na te vorderen bij personen die niet hebben voldaan aan een formele regel en die belastingplichtigen eeuwig in rechtsonzekerheid kunnen laten. In Nederland geldt daarentegen steeds het voortvarendheidsvereiste ex HR BNB 2010/199 en BNB 2010/200, en de regel – gesteld in belanghebbendes zaak HR BNB 2021/150 – dat art. 66(4) Sw alleen gebruikt mag worden op een wijze die niet verder gaat dan nodig om belastingfraude te bestrijden en doeltreffende controles te waarborgen, zodat de Nederlandse fiscus niet ‘tot in het oneindige’ zijn navorderingsbevoegdheid kan gebruiken. Bovendien volgt uit HR BNB 2017/105 dat, anders dan onder de Spaanse wetgeving, een al verlopen verjaring niet met een beroep op art. 66(4) Sw door de fiscus kan worden doorbroken. Volgens de A-G brengen die evenredigheidseis en de combinatie van de voortvarendheidseis en de verplichte automatische uitwisseling van bank-, verzekerings-, en vastgoedgegevens (die ‘aanwijzingen’ zijn waarop de fiscus voortvarendheid moet reageren) mee dat de toepassing van art. 66(4) Sw in belanghebbendes geval in concreto geen EU-rechtelijke vragen oproept. Die eisen zorgen voor de EU-rechtelijke vereiste evenredigheid tussen doel en middel en ook het HvJ zelf oordeelde in de door hem genoemde mededingingszaak Geigy/Commissie dat een wettelijk weliswaar onbeperkte onderzoeks- en beboetingsbevoegdheid niet aan onderzoek en beboeting van Geigy in de weg stond omdat de Commissie in concreto voldoende voortvarend had gehandeld. Zelfs als het arrest Commissie/Spanje naar nationaal of EU-recht grond zou kunnen bieden voor herziening, zou die herziening volgens de A-G dus slechts leiden naar bevestiging van de ongegrondverklaring van belanghebbendes oorspronkelijke cassatieberoep. Dat arrest biedt volgens de A-G echter geen grond voor herziening, noch nationaalrechtelijk, noch EU-rechtelijk. Evenmin als in het precedent HR BNB 2011/245 is in belanghebbendes geval aan de voorwaarden voor herziening ex art. 8:119 Awb voldaan: (i) het arrest Commissie/Spanje stamt van ná HR BNB 2021/150 en (ii) posterieure rechtspraak kan niet gelden als “feiten of omstandigheden” in de zin van de regelingen voor herziening van rechterlijke uitspraken. Naar intern recht is herziening van het arrest dus niet mogelijk en moet belanghebbendes verzoek worden afgewezen. Dat wordt niet anders als het (beginsel van effectiviteit van het) EU-recht erbij wordt betrokken. Een in het licht van posterieure EU-jurisprudentie mogelijk onjuiste onherroepelijke uitspraak van een (hoogste) nationale rechter hoeft volgens het vele malen, ook zeer recent, door het HvJ bevestigde arrest Kapferer niet te worden herzien, ook al zou daardoor strijd met EU-recht (blijven) bestaan, aangenomen dat het nationale recht daarbij de beginselen van gelijkwaardigheid en effectiviteit eerbiedigt. De belanghebbende heeft niet gesteld en evenmin is gebleken of aannemelijk dat die beginselen in zijn zaak zouden zijn geschonden. Conclusie: herzieningsverzoek afwijzen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken