Conclusie A-G Niessen 28 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:78

A-G Niessen heeft een conclusie genomen inzake een geschil over de vraag of recht bestaat op de aftrek van giften op grond van artikel 6.39 Wet IB 2001. Daarnaast is in geschil of het Hof ambtshalve (i) had moeten beoordelen of de redelijke termijn is overschreden in hoger beroep, en (ii) een immateriële schadevergoeding had moeten toekennen aan belanghebbende wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende heeft in haar aangifte IB/PVV 2014 onder meer giften aan de Stichting [A] (hierna: de Stichting) in aftrek gebracht. De Inspecteur heeft een onderzoek ingesteld bij de Stichting, op basis waarvan is geconcludeerd dat de kasadministratie van de Stichting geen werkelijk beeld geeft van de geldstromen. Om die reden is de ANBI-status van de Stichting met terugwerkende kracht ingetrokken. Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2014, heeft de Inspecteur de door belanghebbende gestelde giften niet in aanmerking genomen. Gelet op de bevindingen van de Inspecteur dat op grote schaal valse giftkwitanties van de Stichting werden verhandeld en gebruikt door belastingplichtigen om giften op te voeren die zij niet daadwerkelijk hebben gedaan, kunnen de kwitanties in de onderhavige zaak volgens het Hof niet zonder meer dienen als bewijs voor de door belanghebbende gestelde giften. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de door belanghebbende overgelegde kwitanties met een krul zijn ondertekend, hetgeen minst genomen een niet erg voor de hand liggende wijze van ondertekenen van een voor bewijs dienend stuk is. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om (op dat punt) nader bewijs te leveren, aldus het Hof. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met de overgelegde bankafschriften en de daarop vermelde geldopnames dit aanvullende bewijs niet geleverd. Ook met de overgelegde donatieverklaringen is naar het oordeel van het Hof het aanvullende bewijs niet geleverd, nu deze bescheiden jaren later dan de gestelde giften zijn opgesteld. Nu belanghebbende geen ander (schriftelijk) bewijs heeft bijgebracht waaruit volgt dat giften ten goede zijn gekomen aan de Stichting, acht het Hof niet aannemelijk dat belanghebbende in het onderhavige jaar giften aan de Stichting heeft gedaan. In cassatie klaagt belanghebbende onder meer dat het Hof (i) ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende niet is geslaagd in het leveren van (aanvullend) bewijs voor de aftrek van de door belanghebbende gestelde giften, en (ii) heeft nagelaten ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en een immateriële schadevergoeding toe te kennen wegens de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 6.39 Wet IB 2001 leidt de A-G af dat het bij schriftelijke bescheiden moet gaan om schriftelijke bewijsstukken zoals kwitanties of girostrookjes. De A-G meent dat niet valt in te zien waarom de ondertekening van kwitanties niet met een krul zou kunnen plaatsvinden. Het Hof heeft dit dan ook ten onrechte in aanmerking genomen bij het oordeel dat het op de weg van belanghebbende ligt om nader bewijs te leveren. Kennelijk heeft het Hof daarnaast evenwel ook bevonden dat uit de kasadministratie van de Stichting niet valt af te leiden of de contante betalingen die belanghebbende stelt te hebben gedaan aan de Stichting, ook daadwerkelijk zijn binnengekomen bij de Stichting en zijn aangewend voor de doeleinden die worden nagestreefd door de Stichting. Daarmee kunnen de kwitanties volgens het Hof niet zonder meer dienen als bewijs voor de door belanghebbende gestelde giften. Dit oordeel van het Hof getuigt volgens de A-G niet van een onjuiste rechtsopvatting en is overigens gelet op wat is gesteld niet onbegrijpelijk. Derhalve kunnen deze middelen niet slagen. Hoewel volgens de A-G sprake is van een beperkte overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, wordt deze overschrijding volgens de A-G gecompenseerd door de voortvarende behandeling van het beroep. De A-G meent om die reden dat geen recht bestaat op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de belastingrechter. In zoverre faalt de klacht van belanghebbende. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken