Conclusie A-G Niessen 13 mei 2022, ECLI:NL:PHR:2022:458
A-G Niessen heeft een conclusie genomen inzake een geschil over de vraag of het lid van de enkelvoudige kamer dat in eerste instantie over de zaak heeft beslist, ook het verzoek tot herziening van die uitspraak in behandeling mocht nemen. Daarnaast is in geschil of het verzoek tot herziening terecht is afgewezen. Belanghebbenden hebben namens de erflater voor het jaar 2017 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.229 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 28.329. Vervolgens hebben belanghebbenden een nieuwe aangifte ingediend, waarin zij een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil hebben aangegeven. De Inspecteur heeft de aanslag vastgesteld conform de eerste aangifte. Voor de Rechtbank Den Haag was onder meer in geschil of (i) sprake is van een individuele buitensporige last, en (ii) de Inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Gelet op de inkomens- en vermogenspositie van de erflater in 2017, is de box 3-heffing naar het oordeel van de Rechtbank niet van een dergelijke omvang dat die heffing als een individuele buitengewone last kwalificeert. Ook van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is naar het oordeel van de Rechtbank niet gebleken. Het beroep van belanghebbenden is dan ook ongegrond. Belanghebbenden hebben op grond van art. 8:119 Awb de Rechtbank verzocht om herziening van de uitspraak van de Rechtbank. De Rechtbank heeft dit verzoek – met toepassing van art. 8:54 Awb – als kennelijk ongegrond afgewezen. Deze uitspraak is gedaan door dezelfde rechter (enkelvoudige kamer) als de rechter die de oorspronkelijke uitspraak heeft gedaan. Belanghebbenden hebben verzet ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzoek tot herziening. Uit wat belanghebbenden hebben aangevoerd, volgt naar het oordeel van de Rechtbank niet dat de Rechtbank in de buitenzittingsuitspraak met betrekking tot het verzoek om herziening ten onrechte heeft geoordeeld dat zij het beroep zonder zitting kon afdoen. Het gaat volgens de Rechtbank namelijk om omstandigheden die reeds vóór de uitspraak bij belanghebbenden bekend waren. Daarnaast verzet de wet zich volgens de Rechtbank niet tegen een behandeling door dezelfde rechter. Er is naar het oordeel van de Rechtbank dan ook geen sprake van feiten en omstandigheden als bedoeld in art. 8:119 Awb, zodat het verzet ongegrond moet worden verklaard. In cassatie voeren belanghebbenden verschillende klachten aan. Allereerst klagen belanghebbenden dat het recht op een eerlijke en openbare behandeling van hun verzoek tot herziening door een onafhankelijke en onpartijdige rechtelijke instantie is geschonden. Daarnaast betogen belanghebbenden dat het verzet ten onrechte ongegrond is verklaard. Art. 8:119 Awb schrijft niet voor welke kamer het verzoek tot herziening dient te behandelen. Dit brengt volgens de A-G mee dat op grond van de wet ruimte lijkt te bestaan voor behandeling van het verzoek tot herziening door een of meer leden van dezelfde enkelvoudige dan wel meervoudige kamer als die de oorspronkelijke uitspraak hebben gedaan. Aan de andere kant rijst de vraag of hiermee wel wordt voldaan aan de eisen van een goede procesorde. Zo oordeelde de Hoge Raad in het tweede Unitrading arrest dat de behandeling van de zaak na verwijzing door de douanekamer van Hof Amsterdam in gedeeltelijk dezelfde samenstelling als bij het hoger beroep over de betreffende zaak, niet in overeenstemming was met een behoorlijke rechtspleging. Dat slechts één van de drie raadsheren uit de meervoudige kamer eerder had geoordeeld over de zaak, was daarvoor al voldoende. In de onderhavige zaak gaat echter het niet om een meervoudige maar om een enkelvoudige kamer. Het lid van de enkelvoudige kamer dat over het geschil in eerste instantie heeft beslist, heeft ook in diezelfde samenstelling beslist over het verzoek tot herziening van die uitspraak. Dit vormt naar de mening van A-G Niessen een inbreuk op (de eisen van) een goede procesorde. Een en ander brengt mee dat deze klachten van belanghebbenden gegrond zijn. Verwijzing dient te volgen voor een nieuwe behandeling van het verzoek tot herziening. Voor zover belanghebbenden klagen dat zij geen mogelijkheid hebben gehad om de enkelvoudige kamer te wraken, nu op het verzoek tot herziening is beslist zonder dat een zitting heeft plaatsgevonden, geldt dat deze klacht volgens de A-G niet kan slagen. Een verzoek tot wraking geschiedt op grond van art. 8:16 Awb immers schriftelijk. Nu verwijzing dient te volgen voor de herbeoordeling van het verzoek tot herziening in volle omvang, is behandeling van de overige klachten van belanghebbenden naar de mening van de A-G niet nodig. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbenden gegrond dient te worden verklaard en dat het geschil wordt verwezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 2 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:702
- HR 15 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:164
- HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:357
- HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1331
- ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188
- ABRvS 20 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2040
- HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3352
- HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU8280
- HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046
- HR 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3579
- CRvB 4 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3706
- ABRvS 3 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG5910
- CRvB 22 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3009
- HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4004
- ABRvS 16 maart 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AG8994
- ABRvS 17 februari 1998, ECLI:NL:RVS:1998:ZF3238
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens 25 februari 1992, ECLI:NL:XX:1992:AD1622
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens 24 mei 1989, ECLI:NL:XX:1989:AD0800