Conclusie A-G Paridaens 8 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:222
Conclusie AG. Syriëganger. Internationaal ne bis in idem. Strafmotivering. Heeft hof terecht en voldoende begrijpelijk geoordeeld dat verdachte in Nederland opnieuw kon worden vervolgd voor een feit waarvoor hij in Turkije al was veroordeeld en gedetineerd is geweest? Had hof er blijk van moeten geven te hebben onderzocht of een eventuele VI waartoe in Turkije zeker of met grote mate van waarschijnlijkheid zou zijn overgegaan, van dien aard zou zijn geweest dat de veroordeelde door de in Nederland opgelegde straf in een nadeliger positie zou zijn komen te verkeren wat de duur van zijn detentie betreft? Strekt tot verwerping van het beroep.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 81 RO
- Artikel 68 Sr
- Artikel 3 WOTS
- Artikel 7 WOTS
- Artikel 31 WOTS
- Artikel 5 Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
- Artikel 30 Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
- Artikel 31 Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
- Artikel 35 Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
- Artikel 36 Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
- Artikel 37 Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
- Artikel 44 Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 26 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:103
- HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1994
- HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:839
- HR 31 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:770
- HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434
- Conclusie A-G Vellinga 17 juni 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BD2578
- HR 16 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0883