Conclusie A-G Ettema 30 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1129

Reikwijde van de vrijstelling van energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie voor aardgasverbruik voor mineralogische procedés; vervaardiging van producten van gips; verbruikt aardgas voor de vervaardiging van gipsvezelplaten voor de bouw De belanghebbende in deze zaak houdt zich bezig met de productie en levering van gipsvezelplaten en vloerelementen. Voor de productie van gipsvezelplaten gebruikt belanghebbende jaarlijks ongeveer 10.000.000 m3 aardgas. Deze activiteit valt volgens de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) van 21 juli 2008 van het Centraal Bureau voor de Statistiek onder SBl-subcode 23.62. In deze procedure staat de vraag centraal welke reikwijdte moet worden toegekend aan de vrijstelling van energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie ter zake van de levering of het verbruik van aardgas dat wordt gebruikt voor mineralogische procedés als bedoeld in artikel 64, lid 4, Wbm. In het bijzonder gaat het om de vraag of de vrijstelling voor mineralogische procedés alleen van toepassing is op de ‘vervaardiging van gips’ of ook op de ‘vervaardiging van producten van gips’. Het Hof is van oordeel dat ‘vervaardigen van gips’ als bedoeld in artikel 64, lid 4, Wbm ook het productieproces van belanghebbende omvat waarbij gipsvezelplaten worden vervaardigd. Het middel richt zich tegen dat oordeel. Het middel betoogt onder meer dat in de wettekst als vrijgesteld mineralogisch procedé is opgenomen de ‘vervaardiging van (...) gips’ en niet de ‘vervaardiging van producten van gips’, en dat de wetgever een limitatieve opsomming heeft gegeven van de vrijgestelde mineralogische procedés. Volgens A-G Ettema faalt dat betoog. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de vrijstelling blijkt niet dat de Nederlandse wetgever iets anders voor ogen heeft gestaan dan het uitvoering geven aan de door de Energiebelastingrichtlijn geboden mogelijkheid een vrijstelling te introduceren met als doel een internationaal gelijk speelveld te bereiken, middels het wegnemen van concurrentienadeel ten opzichte van mineralogische industrie in de ons omringende landen die al zo’n vrijstelling kennen. Volgens de A-G volgt, meer specifiek, uit niets dat de Nederlandse wetgever bij de invoering van de vrijstelling een selectieve toepassing van artikel 2, lid 4, onder b), vijfde streepje, Energiebelastingrichtlijn voor ogen heeft gehad, in die zin dat hij niet alle mineralogische procedés als vermeld onder NACE-code DI 26 onder de vrijstellingsbepaling heeft willen begrijpen. Veeleer volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis dat de vrijstelling kan worden ingeroepen door alle bedrijven die in de mineralogische industrie werkzaam zijn. De bewoordingen van artikel 64, lid 4, Wbm laten volgens de A-G ruimte voor een (wetshistorische) uitleg van het begrip mineralogische procedés die in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 2, lid 4, letter b, vijfde streepje, van de Energiebelastingrichtlijn. Toegespitst op deze zaak staan de bewoordingen een uitleg toe die meebrengt dat onder ‘mineralogisch procedés’ als bedoeld in artikel 64, lid 4, Wbm niet alleen het mineralogische procedé ‘vervaardiging van gips’ wordt begrepen maar ‘vervaardiging van artikelen van gips voor de bouw’ als genoemd in code DI 26 van de NACE-nomenclatuur (code DI 26.62; in de SBI: code 23.62), aldus de A-G. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën ongegrond te verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken