Conclusie A-G IJzerman 4 augustus 2021, ECLI:NL:PHR:2021:736
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag hoe de woondelenvrijstelling van artikel 220e van de Gemeentewet moet worden toegepast voor de vaststelling van de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelasting als bedoeld in artikel 220, onderdeel a van de Gemeentwet. Het betreft de beroepen in cassatie van het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant tegen de uitspraken van Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 18 augustus 2020, nrs. 20/02917, 20/02919, 20/02920 en 20/02922 tot en met 20/02929. Belanghebbende in de zaak 20/02917 is mede-eigenaar en mede-gebruiker van een intensieve varkenshouderij. De onroerende zaak is gelegen op een perceel van 10.000 m2. Op het perceel is naast bouwwerken die betrekking hebben op de veehouderij, zoals stallen en mestkelders, ook een vrijstaande woning gebouwd met twee dakkapellen en een luifel. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de onroerende zaak voor het jaar 2017 bij beschikking van 28 februari 2017 vastgesteld op € 531.000. Deze waarde staat thans in cassatie vast. In het verslag bij de WOZ-beschikking zijn de woning- en niet-woningdelen getaxeerd op afgerond respectievelijk € 309.000 en € 222.000. Gelijktijdig met de WOZ-beschikking zijn aan belanghebbende voor het jaar 2017 de aanslagen ‘Onroerende zaakbelasting Eigenaar niet-woning’ (OZBE) en ‘Onroerende zaakbelasting Gebruiker niet-woning’ (OZBG) bekendgemaakt. De aanslag OZBG is berekend naar een heffingsmaatstaf van € 224.000. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking en de aanslagen onroerendezaakbelasting. De heffingsambtenaar heeft die bezwaren ongegrond verklaard, maar heeft wel een nieuw taxatieverslag overgelegd. In dat verslag hebben de woningdelen een waarde van afgerond € 307.000 en de niet-woningdelen een waarde van afgerond € 224.000. Belanghebbende heeft bij de Rechtbank en bij het Hof aangevoerd dat de heffingsmaatstaf voor de OZBG lager moet worden vastgesteld. Ter onderbouwing heeft belanghebbende het taxatierapport van 19 september 2017 ingebracht waarin de waarde van de onroerende zaak is vastgesteld op € 428.000. De heffingsambtenaar heeft daartegenover het rapport van 25 maart 2019 ingebracht waarin de onroerende zaak is getaxeerd op een waarde van € 573.000. In het laatstgenoemde rapport is aan de woningdelen een waarde van afgerond € 324.000 toegekend en aan de niet-woningdelen een afgeronde waarde van € 249.000. Het Hof heeft belanghebbende gevolgd in zijn betoog dat de waarde van de woongedeelten te laag is vastgesteld. Belanghebbende heeft zich, zo overweegt het Hof, geconformeerd aan het taxatierapport van 25 maart 2019 dat door de heffingsambtenaar in de procedure is ingebracht. Omdat de waarde van de woondelen in dat taxatierapport is vastgesteld op € 324.000 moet naar oordeel van het Hof de heffingsmaatstaf voor de OZBG, gezien de woondelenvrijstelling van artikel 220e van de Gemeentewet, verminderd worden tot € 531.000 -/- € 324.000 = € 207.000. Het bestuur komt in cassatie op tegen dat oordeel van het Hof over de heffingsmaatstaf voor de OZBG. Het cassatiemiddel behelst dat het Hof had moeten uitgaan van de daarin bepleite uitgangspunten en afwegingen, waaronder een bepaalde procentuele verdeling tussen de woondelen en de niet-woondelen. De A-G leidt uit de wetsgeschiedenis en de wetssystematiek af dat de waarde van de vrijgestelde woondelen is de waarde daarvan in het economische verkeer. Dat het Hof die waarde heeft vastgesteld aan de hand van het taxatierapport van 25 maart 2019 is volgens de A-G niet in strijd met enige rechtsregel en ook niet onbegrijpelijk. De keuze om aan te sluiten bij dat taxatierapport, als ingebracht door de heffingsambtenaar, berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen. Waar het betoog van het bestuur behelst dat het Hof ook bij de bepaling van de woondelenvrijstelling had moeten aansluiten bij de wijze van waardering die ten grondslag ligt aan de WOZ-waarde van de onroerende zaak, deelt de A-G dat standpunt niet, omdat hier een dwingend verband wordt verlangd dat er rechtens niet is. De vaststelling van enerzijds de WOZ-waarde van de onroerende zaak en anderzijds de vaststelling van de waarde van de gedeelten van die onroerende zaak ten behoeve van de vrijstelling voor woondelen in de onroerendezaakbelastingen, staan in de wetssystematiek los van elkaar. Overigens merkt de A-G op dat het zou kunnen dat een verschillende waarderingsmethodiek soms leidt tot bepaalde discrepanties tussen de verschillende waarde vaststellingen, maar dat mag zijns inziens niet afdoen aan de keuze van de wetgever als gericht op een materieel juist te achten vaststelling van de economische waarde van de vrijgestelde woondelen. De conclusie strekt ertoe dat de beroepen in cassatie van het bestuur ongegrond dienen te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof 's-Hertogenbosch 16 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2245
- Hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3587
- Hof 's-Hertogenbosch 19 juli 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3063
- HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1040
- Hof 's-Hertogenbosch 21 augustus 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3286
- HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300
- HR 14 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6572