Conclusie A-G Wattel 30 juli 2021, ECLI:NL:PHR:2021:728

Overdrachtsbelasting; geldt de netwerkvrijstelling (art. 15(1)(y) Wet BvR) voor warmte-koude-opslaginstallaties (WKOs)? Feiten: De belanghebbende is een zorgaanbieder die (rechten op) de volgende onroerende zaken heeft verkregen: (i) een herstelhotel met 122 hotelkamers voor tijdelijk verblijf van zorgbehoeftigen, (ii) een “PG/Somatiek”-gebouw met 71 zorgappartementen voor personen met een psychogeriatrische en/of somatische aandoening, (iii) een gebouw met 71 zorgappartementen en (iv) (de economische eigendom van) drie (opstalrechten gevestigd op) warmte-koude-opslaginstallaties (WKOs) voor de opslag van duurzame energie voor die drie gebouwen. De zorgappartementen zijn aan te merken als woningen. De WKOs bestaat uit (i) een gesloten systeem van gekoppelde lussen van polyethyleen slangen gevuld met water, 90 tot 150 meter diep in de grond (bronnet) (circuit 1), (ii) een warmtepompsysteem en (iii) een ‘binneninstallatie’ (in het gebouw) (circuit 2). In geschil is of de verkrijging van de bronnetten is vrijgesteld van overdrachtsbelasting op grond van de netwerkvrijstelling in art. 15(1)(y) Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BvR). Niet in geschil is dat de WKOs, dus ook de bronnetten, onroerend zijn De Rechtbank Gelderland meende dat de WKOs geen netwerk zijn omdat zij niet zijn bestemd voor transport van warmte naar enig punt buiten het gebouw waaraan de WKO met een warmtewisselaar is verbonden. Het Hof Arnhem-Leeuwarden daarentegen heeft uit de werking en de functie van de bronnetten opgemaakt dat de netwerkvrijstelling wél van toepassing is, nu de bronnetten warmte transporteren van buiten het gebouw naar binnen het gebouw of andersom. In cassatie betoogt de Staatssecretaris van Financiën (i) (primair): de WKOs zijn onzelfstandige bestanddelen van de gebouwen ( art. 3:4 BW) en volgen dus het (belaste) overdrachtsbelastingregime van die gebouwen); (ii) (subsidiair): de bronnetten zijn geen netwerken, maar onderdeel van energieproductie-eenheden (de WKOs) waarvoor de vrijstelling niet is bedoeld; (iii) (meer subsidiair): de WKOs, dus ook hun bronnetten, zijn geen warmtenet in zin van de Warmtewet omdat zij elk een eigen energievoorziening voor slechts één gebouw zijn, waarvoor de netwerkvrijstelling niet is bedoeld. Ad middelonderdeel (iii) constateert A-G Wattel dat de feitenrechters niet hebben vastgesteld of de Warmtewet van toepassing was. Gezien de vastgestelde feiten en de parlementaire geschiedenis van de netwerkvrijstelling, gaat hij er echter van uit dat die wat geldt in elk geval voor de WKOs bij de appartementengebouwen. Voor het zorghotel is dat mogelijk anders; alsdan is voor de begrenzing van de WKO van het zorghotel niet de Warmtewet bepalend, maar ‘de praktijk’. Verkrijging van het opstalrecht erop kan dus ook dan vrijgesteld zijn op basis van art. 15(1)(y) Wet BvR. Uitgaande van toepasselijkheid van de Warmtewet, meent A-G Wattel dat de delen van de WKOs bij de twee appartementengebouwen die zich vóór het warmte-overdrachtspunt bevinden onder de omschrijving van een warmtenet in de Warmtewet te vallen. Hij meent dat de Hoge Raad er op basis van de ‘tenzij’-bepaling in art. 29e(2) (2e volzin) AWR van uit kan gaan – c.q. dat in de vaststellingen van het Hof besloten ligt – dat de WKOs van het appartementencomplex en het P/S-gebouw warmtenetten zijn in de zin van de Warmtewet. Daarmee strandt onderdeel (iii) van het cassatiemiddel. Ad middelonderdeel (i) betwijfelt A-G Wattel de relevantie van de vraag of de bronnetten bestanddelen van de gebouwen zijn. Niet in geschil is dat op de WKOs (kennelijk niet slechts op de bronnetten) een opstalrecht is gevestigd of de economische eigendom ervan is afgescheiden en dat zij elk los van de gebouwen en de grond zijn overgedragen. Dat een warmtenet mogelijk, ondanks goederenrechtelijke separering, theoretisch ook een bestanddeel van een andere onroerende zaak zou kan zijn, lijkt hem voor de overdrachtsbelasting niet van belang omdat het om de eigendomsvraag en de separate overdraagbaarheid/verkrijging gaat. Volgens art. 2(2) Wet BvR wordt bovendien onder (belaste) verkrijging van economische eigendom mede verstaan verkrijging van een samenstel van rechten en verplichtingen dat een belang vertegenwoordigt bij een “bestanddeel” van een onroerende zaak dat zelfstandig aan een recht kan worden onderworpen. Het zou dan inconsequent zijn als (opstalrechten op of economische eigendom van) WKOs wél zelfstandig genoeg geacht worden om overdrachtsbelasting over te heffen, maar niet zelfstandig genoeg om voor vrijstelling van diezelfde overdrachtsbelasting in aanmerking te komen. Daarom strandt zijns inziens ook middelonderdeel (i). Ook middelonderdeel (ii) strandt volgens de A-G omdat een bronnet geen productie-eenheid is, maar aardwarmte of -koelte transporteert. Voor dergelijke transportsystemen lijkt hem de netwerkvrijstelling juist bedoeld. De productie-eenheid is volgens hem niet het bronnet, maar moeder aarde. Conclusie: cassatieberoep ongegrond

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken