Conclusie A-G Niessen 28 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:428

A-G Niessen heeft conclusie genomen over de vraag of de betaalde schenkbelasting ter zake van de verkrijging van de aandelen tot de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang behoort. In 2018 heeft de Inspecteur een beschikking betreffende de verkrijgingsprijs van een aanmerkelijk belang van belanghebbende vastgesteld exclusief betaalde schenkbelasting. Belanghebbende is hiertegen in bezwaar en beroep opgekomen, omdat hij van mening is dat de betaalde schenkbelasting wel onderdeel vormt van de verkrijgingsprijs. Zowel de Inspecteur als de Rechtbank hebben diens zienswijze verworpen. Belanghebbende heeft vervolgens sprongcassatie ingesteld. Belanghebbende stelt dat jurisprudentie gewezen onder het Besluit 1941, die schenk- en erfbelasting als onderdeel van de verkrijgingsprijs afwijst, is achterhaald na de wijziging van het aanmerkelijkbelangregime met ingang van 1 januari 1997. Naar de mening van de A-G geeft de wetsgeschiedenis geen aanleiding voor een zodanig andere uitleg van het huidige verkrijgingsprijsbegrip dat de onder het Besluit 1941 gewezen jurisprudentie is achterhaald. Belanghebbende voert voorts aan dat, anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, sprake is van een onmiddellijk verband tussen de geschonken aandelen en de geheven schenkbelasting, waarmee de schenkbelasting is aan te merken als kosten van de verkrijging en daarmee onderdeel is van de verkrijgingsprijs. Deze klacht faalt, aldus de A-G, nu de schenkbelasting niet direct met de verkrijging is betrokken, in die zin dat zij niet drukt op de grondslag waarnaar de wetgever belasting wegens winst uit aanmerkelijk belang wil heffen. Tot slot gaat belanghebbende in op een drietal kwesties die ook in het geding voor de Rechtbank aan de orde waren en waarmee naar de A-G verstaat, belanghebbende zich keert tegen de oordelen die de Rechtbank dienaangaande heeft gegeven. Deze klachten keren zich tegen het (i) totaalwinstbegrip als grondslag van de aanmerkelijkbelangregeling, (ii) de grondgedachte in het belastingrecht dat directe belastingen niet als bedrijfskosten of aftrekbare kosten worden aangemerkt en (iii) het verschil tussen directe en indirecte belastingen als onderdeel van de verkrijgingsprijs. De drie hiervoor genoemde klachten falen eveneens. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken