Conclusie A-G Ettema 31 december 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1208
A-G Ettema behandelt in deze conclusie de vraag of aan een fiscale eenheid voor de omzetbelasting een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. In de onderhavige zaak gaat het om een vergrijpboete (artikel 67f Awr). In de zaak die bij de Hoge Raad bekend is onder rolnummer 19/04310, waarin de A-G vandaag eveneens conclusie neemt, gaat het om een vergrijpboete (artikel 67c Awr). Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting bestaande uit twee vennootschappen. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de Inspecteur onder meer naheffingsaanslagen omzetbelasting, rente- en boetebeschikkingen opgelegd. De Inspecteur heeft deze aanslagen en beschikkingen in bezwaar in stand gelaten. Voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant (de Rechtbank) en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (het Hof) is in geschil of belanghebbende de vereiste aangiften heeft gedaan, of de schatting van verzwegen omzet door de Inspecteur redelijk is en of belanghebbende bewust onjuiste aangiften heeft ingediend. Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan, dat de schatting van de Inspecteur redelijk is en dat het aannemelijk is dat belanghebbende bewust onjuiste aangiften heeft ingediend. In hoger beroep heeft belanghebbende betoogd dat er volgens haar geen wettelijke grondslag is voor het opleggen van de vergrijpboeten aan haar. Volgens het Hof is die basis er wel. Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de oordelen van het Hof. In deze conclusie bespreekt de A-G alleen het derde middel, waarin de belanghebbende opkomt tegen het oordeel over de vergrijpboete. Volgens de A-G is het de vraag of de boetebepalingen in de Awr een van de Awb afwijkende regel bevatten over het subject dat de beboetbare gedragingen kan begaan. Uit artikel 5:1(3) Awb in samenhang met artikel 51(3) van het Wetboek van Strafrecht volgt dat natuurlijke personen, rechtspersonen, vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, maatschappen, rederijen en doelvermogens overtredingen kunnen begaan. Diverse boetebepalingen in de Awr zijn echter gericht tot de ‘belastingplichtige’. In de literatuur bestaan twee stromingen over de vraag of de boetebepalingen in de Awr omtrent het subject dat overtredingen kan begaan een lex specialis is waaraan de lex generalis van de Awb derogeert. Volgens sommige auteurs wijken de boetebepalingen van de Awr niet uitdrukkelijk af van de Awb. Nu volgens de Awb geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd aan een fiscale eenheid omzetbelasting, kan dat volgens hen ook niet op grond van de Awr. Andere auteurs menen dat in de boetebepalingen van de Awr ook het subject wordt aangewezen en daarmee deels wordt afgeweken van de Awb. Volgens deze auteurs heeft de wetgever met de invoering van de vierde tranche van de Awb geen wijziging beoogd van de beboetbare subjecten. Voordat de A-G ingaat op de vraag of de wetgever een wijziging heeft beoogd, staat zij stil bij de vraag of de fiscale eenheid voor de omzetbelasting normadressaat kan zijn van de bestuurlijke boeten. Voor het strafrecht geldt dat niet de fiscale eenheid omzetbelasting als zodanig, maar haar onderdelen in gezamenlijkheid als normadressaat moeten worden beschouwd. Hoewel er volgens de A-G diverse argumenten zijn om hier ook voor het fiscale boeterecht bij aan te sluiten, ziet zij veel juridische maar ook praktische argumenten voor het beschouwen van de fiscale eenheid omzetbelasting als zodanig als normadressaat. Het belangrijkste argument tegen beboeting van de fiscale eenheid kan volgens de A-G worden gevonden in het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 2017, nr. 16/05235 waarin de belastingkamer voor de uitleg van artikel 67f Awr in verbinding met artikel 5:1(3) Awb aanknoopt bij de regeling uit het strafrecht. Alles afwegende komt zij tot de slotsom dat het opleggen van een bestuurlijke boete aan een fiscale eenheid ook na invoering van artikel 5:1(3) Awb mogelijk blijft. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging middel 3 te verwerpen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G IJzerman 23 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:420
- HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1895
- CBb 22 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:187
- HR 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2655
- HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:350
- HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4020
- HR 29 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1362
- HR 21 april 1982, ECLI:NL:HR:1982:AW9426