Conclusie A-G Ettema 31 december 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1207
A-G Ettema behandelt in deze conclusie de vraag of aan een fiscale eenheid voor de omzetbelasting een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. In de onderhavige zaak gaat het om een verzuimboete (artikel 67c Awr). In de zaak die bij de Hoge Raad bekend is onder rolnummer 19/03179, waarin de A-G vandaag eveneens conclusie neemt, gaat het om een vergrijpboete (artikel 67f Awr). De Inspecteur heeft aan belanghebbende, een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, een naheffingsaanslag en verzuimboete opgelegd in verband met het niet tijdig betalen van omzetbelasting. Volgens belanghebbende is er geen wettelijke grondslag voor het opleggen van de verzuimboete aan haar. De rechtbank Gelderland heeft deze grondslag wel gevonden in de combinatie van artikel 5:1 Awb en artikel 67c Awr. Belanghebbende heeft sprongcassatie ingesteld tegen dit oordeel. Volgens de A-G is het de vraag of de boetebepalingen in de Awr een van de Awb afwijkende regel bevatten over het subject dat de beboetbare gedragingen kan begaan. Uit artikel 5:1(3) Awb in samenhang met artikel 51(3) van het Wetboek van Strafrecht volgt dat natuurlijke personen, rechtspersonen, vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, maatschappen, rederijen en doelvermogens overtredingen kunnen begaan. Diverse boetebepalingen in de Awr zijn echter gericht tot de ‘belastingplichtige’. In de literatuur bestaan twee stromingen over de vraag of de boetebepalingen in de Awr omtrent het subject dat overtredingen kan begaan een lex specialis is waaraan de lex generalis van de Awb derogeert. Volgens sommige auteurs wijken de boetebepalingen van de Awr niet uitdrukkelijk af van de Awb. Nu volgens de Awb geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd aan een fiscale eenheid omzetbelasting, kan dat volgens hen ook niet op grond van de Awr. Andere auteurs menen dat in de boetebepalingen van de Awr ook het subject wordt aangewezen en daarmee deels wordt afgeweken van de Awb. Volgens deze auteurs heeft de wetgever met de invoering van de vierde tranche van de Awb geen wijziging beoogd van de beboetbare subjecten. Voordat de A-G ingaat op de vraag of de wetgever een wijziging heeft beoogd, staat zij stil bij de vraag of de fiscale eenheid voor de omzetbelasting normadressaat kan zijn van de bestuurlijke boeten. Voor het strafrecht geldt dat niet de fiscale eenheid omzetbelasting als zodanig, maar haar onderdelen in gezamenlijkheid als normadressaat moeten worden beschouwd. Hoewel er volgens de A-G diverse argumenten zijn om hier ook voor het fiscale boeterecht bij aan te sluiten, ziet zij veel juridische maar ook praktische argumenten voor het beschouwen van de fiscale eenheid omzetbelasting als zodanig als normadressaat. Het belangrijkste argument tegen beboeting van de fiscale eenheid kan volgens de A-G worden gevonden in het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 2017, nr. 16/05235, waarin de belastingkamer voor de uitleg van artikel 67f Awr in verbinding met artikel 5:1(3) Awb aanknoopt bij de regeling uit het strafrecht. Alles afwegende komt zij tot de slotsom dat het opleggen van een bestuurlijke boete aan een fiscale eenheid ook na invoering van artikel 5:1(3) Awb mogelijk blijft. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G IJzerman 23 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:420
- Rb. Gelderland 13 augustus 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:3640
- HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1895
- CBb 22 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:187
- HR 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2655
- HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:350
- HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4020
- HR 29 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1362
- HR 21 april 1982, ECLI:NL:HR:1982:AW9426