Conclusie A-G Ettema 30 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1017
A-G Ettema heeft conclusie genomen in een zaak waarin de vraag centraal staat of en, zo ja, in hoeverre vanwege de exploitatie van zonnepanelen op het dak van een nieuwbouwwoning voor de verwerving van die woning recht op aftrek van voorbelasting bestaat. De A-G heeft de gelegenheid aangegrepen op iets algemener niveau in te gaan op de aftrek van omzetbelasting bij nieuwbouwwoningen met zonnepanelen. De omstandigheid dat ook iedere particulier die met zonnepanelen opgewekte elektriciteit duurzaam (voor onbepaalde tijd) aan ‘het net’ levert, voor de heffing van omzetbelasting als ondernemer moet worden gezien, stelt in zoverre voor enige hoofdbrekens. In de voorliggende zaak heeft belanghebbende een nieuwbouwwoning verworven waarop – schijnbaar – door een ander dan de leverancier van de woning zonnepanelen zijn aangebracht. Van het totale bruto nuttig bruikbaar vloeroppervlak wordt 9,4% in de vorm van een werkkamer verhuurd aan een bv. De zonnepanelen op het dak beslaan een oppervlak van 48 vierkante meter. De panelen zijn niet integrerend onderdeel van de dakbedekking. Belanghebbende heeft om teruggaaf van tweederdedeel van de betaalde voorbelasting voor de verwerving van de woning verzocht, een en ander omdat tweederdedeel van de met de zonnepanelen opgewekte elektriciteit aan het net wordt geleverd. De Inspecteur heeft integrale aftrek van de voorbelasting voor de zonnepanelen zelf toegestaan en daarnaast een beperkte aftrek van de voorbelasting voor de verwerving van de woning vanwege de verhuur van de werkkamer. Oftewel, de Inspecteur meent dat belanghebbende alleen de zonnepanelen voor zijn zonnepanelenonderneming gebruikt en niet de woning. In beroep heeft de rechtbank Gelderland wel aftrek toegestaan voor de woning. Er is een verdeelsleutel bepaald aan de hand van het nuttig bruikbaar oppervlak van de woning, waarbij het dakoppervlak waarop de zonnepanelen zijn aangebracht, als zodanig meetellen. Bij wijze van compromis zou belanghebbende 3,1% van de woning gebruiken voor de exploitatie van de zonnepanelen. In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden daarentegen beslist dat belanghebbende helemaal geen aftrek kan toepassen voor de verwerving van de woning. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat de kosten van het perceel en de woning zijn opgenomen in de prijs die belanghebbende ontvangt voor de levering van elektriciteit. Omdat de Inspecteur ter zitting heeft medegedeeld het bij de rechtbank gesloten compromis gestand te willen doen, is het gerechtshof uiteindelijk toch uitgekomen op 12,5% (3,1% + 9,4%) ondernemingsgebruik van de woning. Belanghebbende bestrijdt in cassatie het oordeel van het gerechtshof. Volgens A-G Ettema dient allereerst te worden nagegaan of een zonnepanelenexploitant zijn zonnepanelen en eventueel de nieuwbouwwoning waarop die panelen zijn aangebracht, als ondernemer heeft verworven. De A-G meent dat dit het geval is, nu een woning waarop een exploitatie van zonnepanelen geschiedt, feitelijk en meer dan volstrekt verwaarloosbaar voor een economische activiteit wordt gebruikt. In de voorliggende zaak kan sowieso een verwerving als ondernemer worden aangenomen vanwege de verhuur van de werkkamer. Vervolgens is de vraag of sprake is van gebruik voor belaste handelingen. Ook die stap kan vanwege het feitelijke gebruik voor het leveren van elektriciteit aan het net worden gezet. Het gerechtshof is volgens de A-G te strikt door van belanghebbende bewijs te verlangen dat in feite kosten van de woning zijn doorberekend in de prijs voor de elektriciteit die aan het net is geleverd. Het voorgaande brengt mee dat de mate moet worden bepaald waarin dan recht op aftrek bestaat. Bij uitgaven in verband met een onroerende zaak, is het werkelijke gebruik leidend. Het gaat de A-G te ver om te verlangen dat dit werkelijk gebruik aannemelijk wordt gemaakt aan de hand van objectief en nauwkeurig vast te stellen gegevens, nu het de enige methode is om de mate van aftrek vast te stellen. Zij ziet dan in elk geval nog niet een berekening die leidt tot een enigszins reële uitkomst. Zo leidt de berekening die de rechtbank Gelderland in deze zaak heeft toegepast, tot een aanmerkelijk te hoog gebruik van de woning voor de exploitatie van zonnepanelen. Idealiter zou op dit punt (hardheidsclausule)beleid bestaan. De A-G komt uiteindelijk tot de slotsom dat de exploitant van zonnepanelen moet kunnen volstaan met het aan de hand van schattingen aannemelijk maken wat het aftrekbare bedrag (minimaal) moet zijn uitgaande van het in redelijkheid te bepalen werkelijke gebruik van de woning voor de zonnepanelenonderneming.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2676
- Hof Arnhem-Leeuwarden 3 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1983
- Hof Arnhem-Leeuwarden 3 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1984
- Hof 's-Hertogenbosch 30 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:321
- Rb. Gelderland 29 november 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:5488
- HR 27 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1438
- HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1399
- Hof 's-Hertogenbosch 21 juni 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2249
- Hof Arnhem-Leeuwarden 7 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3986
- Rb. Gelderland 9 april 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1612
- HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:267
- Hof Arnhem-Leeuwarden 28 november 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:10387
- HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1320
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1991:315
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1995:305
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1996:67
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1998:1
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2001:136
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2001:280
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2005:128