Conclusie A-G Hofstee 23 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:762
Herziening. Aanvraag berust op de stelling dat indien de Pr. bekend was geweest met de sepotbeslissing van het CVOM gericht aan aanvrager, de Pr het OM n-o had verklaard in de vervolging in de vervolging t.a.v. feit 2. HR: op de gronden van de CAG is de aanvraag gegrond. CAG: aan de onderhavige stukken zijn voldoende deugdelijke argumenten te ontlenen die het oordeel dat de “Kennisgeving sepot” inderdaad betrekking heeft op feit 2 kunnen dragen, terwijl er geen enkel argument valt aan te wijzen die houvast biedt aan de gedachte dat aanvrager op één en dezelfde dag nog eens zou zijn aangehouden voor – kort gezegd – het rijden zonder geldig rijbewijs of dat de pleegdatum en/of –plaats bij het sepotfeit niet zou(den) kloppen. Volgt verwijzing wat betreft feit 2, teneinde hetzij het gewijsde te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen en daarbij ex art. 478.2 Sv voor feit 1 de straf te bepalen.
De uitspraak op rechtspraak.nl