Conclusie A-G Niessen 8 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1027
A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak waarin in de aangifte over het overlijdensjaar van erflaatster haar uitgaven voor specifieke zorgkosten waren opgevoerd die pas waren voldaan na haar overlijden. In geschil is of die uitgaven op het inkomen van erflaatster in mindering mogen worden gebracht. Erflaatster is op 2 augustus 2015 overleden. Voorafgaand aan haar overlijden werd zij persoonlijk verzorgd en is aan haar medicatie ten behoeve van palliatieve sedatie verstrekt. Na haar overlijden zijn drie nota’s ontvangen waarbij kosten in rekening worden gebracht ter zake van de gezinshulp en de medicatie. De kosten zijn vanuit de onverdeelde boedel voldaan en zijn aangemerkt als schuld van de nalatenschap. De erfgenamen hebben de kosten opgenomen als uitgaven voor specifieke zorgkosten in de aangifte van erflaatster over het overlijdensjaar. De Inspecteur heeft de aftrek geweigerd omdat de kosten niet op erflaatster hebben gedrukt nu de nota’s zijn betaald na het overlijden van erflaatster. De Rechtbank en het Hof volgden de Inspecteur daarin niet. In deze conclusie wordt onderzocht of de uitgaven voor specifieke zorgkosten op erflaatster hebben gedrukt en of de kosten op grond van artikel 6.40 Wet IB 2001 bij erflaatster in aanmerking kunnen worden genomen nu de kosten zijn betaald na haar overlijden. De A-G meent dat in beginsel zowel de opvatting dat de kosten op erflaatster als de benadering dat de kosten op de erfgenamen hebben gedrukt, kan worden verdedigd. De A-G merkt vervolgens op dat in de arresten HR BNB 1986/298 en BNB 1986/299 is beslist dat aftrekposten die betrekking hebben op de erflater, na overlijden overgaan op de erfgenamen en op de erfgenamen drukken. Dat sluit ook aan bij het kasstelsel van artikel 6.40 Wet IB 2001. De kosten voor medicijnen en gezinshulp zijn na het overlijden van erflaatster voldaan. Er heeft zich bij het leven van erflaatster geen tijdstip in de zin van artikel 6.40 Wet IB 2001 voorgedaan. De specifieke zorgkosten die zijn betaald na het overlijden van erflaatster kunnen daarom niet bij haar in aanmerking worden genomen. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging om het beroep van de Staatssecretaris gegrond te verklaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0680
- Hof Amsterdam 12 november 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK7011
- HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2025
- Hof 's-Hertogenbosch 28 februari 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BC7263
- HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3075
- Conclusie A-G Van Ballegooijen 17 september 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO3075
- HR 27 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3040
- Hof 's-Gravenhage 4 mei 2000, ECLI:NL:GHSGR:2000:BG7728
- HR 15 juli 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW7915
- HR 15 juli 1986, ECLI:NL:HR:1986:BH4992
- HR 27 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW8896
- HR 28 april 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2874
- HR 10 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2807