Conclusie A-G Wattel 10 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:424
Sluit de Zetelovereenkomst tussen Nederland en Eurojust de belanghebbende (staff member van Eurojust) uit van AOW-verzekering in Nederland hoewel hij enige dagen per jaar tegen vergoeding reservist is voor Defensie? Feiten: de belanghebbende woont in Nederland en werkt sinds 1 november 2002 als staff member bij de in Nederland gevestigde EU-organisatie Eurojust. Enkele dagen per jaar is hij tegen geringe vergoeding reservist bij Defensie. In geschil is of de belanghebbende (volledig) verzekerd is voor de AOW vanwege zijn werkzaamheden als reservist ondanks art. 14(2) Zetelovereenkomst, dat bepaalt dat staff members van Eurojust “shall not be covered by the social security regulations of the Kingdom of the Netherlands”. De Svb heeft de belanghebbende uitsluitend verzekerd geacht op de dagen waarop hij arbeid verricht voor Defensie. De Rechtbank Noord-Holland heeft belanghebbendes beroep gegrond verklaard omdat hij voldoet aan de in art. 14(1)(a) Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen (Bub) gestelde criteria voor volledige verzekering. De CRvB heeft die uitspraak vernietigd omdat volgens hem art. 14(2) Zetelovereenkomst verplichte sociale verzekering in Nederland in alle opzichten uitsluit. Gegeven het verbod op reformatio in peius heeft hij het besluit van de Svb in stand gelaten, waardoor de belanghebbende wel verzekerd is op de dagen waarop hij werkt voor Defensie. In cassatie betoogt de belanghebbende dat (i) het Eurojust-Besluit vóórgaat op de Zetelovereenkomst, (ii) het Eurojust-Besluit verwijst naar het EU-Ambtenarenstatuut en de Regeling voor ander EU-personeel, en (iii) die regelingen en ook het HvJ EU in de zaak Feyerbacher (over de Zetelovereenkomst Duitsland-ECB) dubbele sociale verzekering niet uitsluiten. De CRvB is volgens hem buiten het geschil gegaan door de volgens de partijen niet rechtstreeks werkende Zetelovereenkomst toe te passen. A-G Wattel constateert dat nationaal recht niet uitsluit dat de belanghebbende verzekerd is voor de AOW op basis van andere werkzaamheden dan die voor Eurojust, maar dat art. 14(2) Zetelovereenkomst ongeclausuleerd staff members van Eurojust vrijstelt van de verplichting bij te dragen aan het Nederlandse socialezekerheidsstelsel én hen ‘consequently’ als niet verzekerd aanmerkt onder dat stelsel. Hetzelfde geldt voor hun spouses and dependent relatives, maar voor hen geldt een uitzondering als zij ander betaald werk dan voor Eurojust verrichten of een Nederlandse uitkering genieten: dan vallen zij wél onder het Nederlandse stelsel. Die uitzondering is niet voorzien voor de staff members zelf. Ook volgens de A-G wijst dit er op dat op staff members uitsluitend het Eurojust-stelsel van toepassing is. Hij ziet geen reden voor afwijking in het geval van de belanghebbende, die kennelijk voltijds bij Eurojust werkt, nu voor hem flankerende Nederlandse verzekering – anders dan voor spouses – niet voorzien is, zijn werkzaamheden voor Defensie een efemeer karakter hebben en voor hem, anders dan voor Feyerbacher uit de gelijknamige HvJ EU-zaak, niet geldt dat zijn EU-uitkering aanvult op nationale regelingen en evenmin dat zijn AOW-aanspraken gekort worden op zijn Eurojust-pensioenaanspraken. Anders dan de belanghebbende stelt, wordt art. 14(2) Zetelovereenkomst niet uitgeschakeld door het Eurojust-Besluit, dat (wel) verwijst naar het EU-Ambtenarenstatuut en de EU-Regeling voor overig personeel, die dubbele sociale verzekering niet uitsluiten. De uitlegbepaling waarop de belanghebbende zich beroept (art. 22(2) Zetelovereenkomst) is alleen van toepassing “in case of any conflict between the Eurojust Decision and this Agreement” en de A-G ziet geen dergelijk conflict. Uitsluiting van nationale verzekering naast volledige Eurojust-verzekering is immers geenszins onverenigbaar met een verwijzing naar EU-personeelsregelingen voor de invulling van het Eurojust-personeelsstelsel. Het EU-Ambtenarenstatuut en de EU-Regeling leiden zijns inziens overigens niet tot een andere uitkomst dan de Zetelovereenkomst. Uitgangspunt van het HvJ EU is dat in beginsel slechts één wettelijke regeling op het gebied van sociale zekerheid van toepassing is en dat de bepaling van de sociale-verzekeringspositie van EU-personeel is onttrokken aan de bevoegdheid van de lidstaten. Uitsluitend de EU gaat daarover en in casu heeft de EU er kennelijk voor gekozen Eurojust staff members uit te sluiten van het Nederlandse verzekeringsstelsel. De belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van het vrije verkeer van werknemers, nu alle relevante feiten zich binnen één lidstaat afspelen, zodat art. 45 VwEU niet relevant is, aldus de A-G. De belanghebbende valt evenmin onder EU-Verordening 883/2004, die overigens, indien naar analogie toegepast, exclusief het Eurojust-stelsel zou aanwijzen. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl