Conclusie A-G Wattel 20 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1414

Hoe moet voor de toepassing van de alleenstaande-ouderkorting ex (het inmiddels vervallen) art. 8.15 Wet IB 2001 de eis van inschrijving van ouder en kind op hetzelfde woonadres worden uitgelegd als inschrijving op een woonadres van (één van) beiden überhaupt niet mogelijk of te gevaarlijk is, of inschrijving op een woonadres wel mogelijk is, maar niet op hetzelfde adres? Feiten: de belanghebbende was tot 5 juni 2013 gehuwd. Het huwelijk is door echtscheiding is ontbonden. Zij verbleef met haar dochter van 20 maart 2013 t/m 30 juni 2015 op een camping in de gemeente [Q]. In de gemeentelijke basisadministratie (GBA) is van haar en haar dochter in die periode geen woonadres opgenomen. Afgezien van de periode 10 september 2013 t/m 15 oktober 2013, stonden zij op hetzelfde briefadres ingeschreven in verband met huiselijk geweld en stalking door haar ex-echtgenoot. In geschil is of de belanghebbende in 2013 recht heeft op alleenstaande-ouderkorting. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant wees belanghebbendes beroep af omdat zij niet aan de inschrijvingseis voldeed, ook al heeft zij feitelijk met haar dochter samengewoond. Niet gesteld is dat haar situatie vergelijkbaar is met die van binnenvaartschippers zonder vaste ligplaats die aan boord wonen en die het onderwerp zijn van het goedkeuringsbesluit van de staatssecretaris van Financiën van 11 november 2011, nummer BLKB2011/1208M. Het Hof Den Bosch leidt uit de parlementaire geschiedenis af dat de wetgever wilde voorkomen dat beide ouders aanspraak maken op de alleenstaande-ouderkorting. In casu staat vast dat de belanghebbende en haar kind om veiligheidsredenen niet stonden ingeschreven op een woonadres maar alleen op een postadres. Het kind stond evenmin ingeschreven op het adres van de (ex-)partner, zodat toekenning aan beide ouders zich niet kan voordoen. Naar ’s Hofs oordeel strekt de term ‘woonadres’ in art. 8.15 Wet IB niet zo ver dat deze ook geldt voor gevallen waarin de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA) en de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) uitdrukkelijk voorzien in inschrijving op een briefadres om veiligheidsredenen. In cassatie stelt de Staatssecretaris dat volgens vaste jurisprudentie de tekst van art. 8.15 Wet IB noch diens wetsgeschiedenis ruimte biedt om voor de toekenning van de alleenstaande-ouderkorting aan te sluiten bij het feitelijke woonadres van het kind in plaats van bij de wettelijke inschrijvingsvoorwaarde. Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat belanghebbendes geval valt binnen doel en strekking van de wettelijke regeling. De wetgever heeft welbewust gekozen voor een inschrijvingseis. In de wetsgeschiedenis zijn geen aanwijzingen te vinden voor een uitzondering in gevallen waarin de Wet BRP-wetgever uitzonderingen heeft toegelaten op de verplichting op een woonadres in te schrijven om veiligheidsredenen. Het Hof heeft in strijd met de Wet AB de innerlijke waarde en billijkheid van de wet beoordeeld, of in strijd met art. 67 AWR onbevoegdelijk de hardheidsclausule toegepast, aldus de Staatssecretaris. Bovendien heeft het Hof geanticipeerd op de veiligheidsinschrijving, die in 2013 nog niet voorzien was in de wet. A-G Wattel behandelt in een bijlage bij de conclusie, die ook hoort bij de zaak met nummer 18/01717 waarin hij op dezelfde dag heeft geconcludeerd, de voor beide zaken relevante vraag hoe voor de toepassing van de alleenstaande-ouderkorting ex (het inmiddels vervallen) art. 8.15 Wet IB de eis van inschrijving van ouder en kind op hetzelfde woonadres moet worden uitgelegd als inschrijving op een woonadres van (één van) beiden überhaupt niet mogelijk of te gevaarlijk is, of inschrijving op een woonadres wel mogelijk is, maar niet op hetzelfde adres. A-G Wattel concludeert dat teleologische, wetshistorische en redelijke wetstoepassing, dus in overeenstemming met doel, strekking en geschiedenis van de wet én van de inschrijvingseis, meebrengt dat de (a) materieel kwalificerende belanghebbende ((i) geen partner, (ii) huishouding met geen ander dan kinderen, (iii) in belangrijke mate het kind onderhoudende en (iv) gezamenlijke huishouding met dat kind voor meer dan zes maanden) die (b) in een door de fiscale wetgever niet-voorzien geval (c) buiten zijn toedoen en (d) ook overigens niet toerekenbaar in de onmogelijkheid van (gezamenlijke) inschrijving verkeert, en die (e) aantoont dat de uitvoeringsproblemen en dubbele-aanspraakrisico’s waartegen de inschrijvingseis waakt, zich niet kunnen voordoen (en daarmee het doel van de inschrijvingseis dus realiseert), recht heeft op de alleenstaande-ouderkorting. De A-G verstaat onder ‘onmogelijkheid’ van inschrijving ook onaanvaardbaarheid in verband met veiligheidsrisico’s. Dat art. 2.41 Wet BRP in 2013 nog niet bestond, lijkt hem niet relevant, nu het nog niet bestaan daarvan het volgens de feitenrechters wel degelijk bestaande ernstige veiligheidsrisico voor de belanghebbende en haar kind in dat jaar niet wegneemt. De wetgever heeft volgens de A-G niet bedoeld om alle materiële eisen voldoende maar bedreigde alleenstaande ouders uit te sluiten. Deze puur grammaticale wetsuitleg van de Staatssecretaris lijkt hem daarom de minst waarschijnlijke, mede gegeven dat de Staatssecretaris niet opheldert welk uitvoeringsbelang of andere redelijkerwijs aan de fiscale wetgever toe te dichten wens in casu met die uitleg gediend zou zijn, en gegeven dat de bewijslast dat door de wetgever niet-gewenste uitvoeringsproblemen zich niet kunnen voordoen, op de belanghebbende rust. Niet in geschil is dat in casu aan alle materiële eisen voor toekenning van de korting is voldaan. Dan resteert de vraag of het niet op één woonadres ingeschreven staan van moeder en dochter voor hen onmogelijk was wegens aan hen toe te rekenen omstandigheden. Uit de vaststellingen van de feitenrechters volgt dat zij geen keus hadden in verband met hun veiligheid en dat het slechts op een (hetzelfde) briefadres ingeschreven staan niet aan hen is toe te rekenen. De wetgever zal niet bedoeld hebben om aan alle materiële eisen voldoende maar bedreigde alleenstaande ouders voor de keuze te stellen tussen een fiscale tegemoetkoming ten koste van hun veiligheid, of veiligheid ten koste van een fiscale tegemoetkoming die onmiskenbaar voor hun situatie bedoeld is. De A-G meent dat teleologische en wetshistorische wetsuitleggen, die dezelfde kant op wijzen en tot een eenduidig en redelijk resultaat leiden, in casu prevaleren boven een puur tekstuele die tot een onredelijk resultaat leidt, met name omdat het tekstdeel dat spanning oplevert (de formele inschrijvingseis), volgens de wetgever slechts een puur uitvoerbaarheidsdoel dient dat in gevallen zoals dat van de belanghebbende – naar niet in geschil is – niet in gevaar kan komen. Belanghebbendes door de fiscale wetgever niet-voorziene situatie komt daarmee volgens de A-G in aanmerking voor de korting. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken