Conclusie A-G Wattel 20 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1413

Hoe moet voor de toepassing van de alleenstaande-ouderkorting ex (het inmiddels vervallen) art. 8.15 Wet IB 2001 de eis van inschrijving van ouder en kind op hetzelfde woonadres worden uitgelegd als inschrijving op een woonadres van (één van) beiden überhaupt niet mogelijk of te gevaarlijk is, of inschrijving op een woonadres wel mogelijk is, maar niet op hetzelfde adres? Feiten: belanghebbendes echtgenote is in 2006 overleden. In 2013 stond hij het hele jaar op hetzelfde woonadres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA). Hij had geen fiscale partner. Zijn zoon was op grond van een gerechtelijke beslissing opgenomen in een justitiële jeugdinrichting waar bij werd behandeld. Zoon stond daardoor van 1 januari t/m 28 augustus 2013, dus meer dan zes maanden, in de GBA ingeschreven op het adres van die jeugdinrichting en niet bij de belanghebbende. De rest van het jaar stond zoon op belanghebbendes woonadres ingeschreven. De zoon verbleef in 2013 met instemming van de jeugdinrichting in toenemende mate bij de belanghebbende, waardoor vader en zoon in 2013 meer dan zes maanden een huishouding met elkaar voerden en zoon in belangrijke mate door de belanghebbende werd onderhouden. In geschil is of de belanghebbende in 2013 recht had op alleenstaande-ouderkorting. De Rechtbank Gelderland wees belanghebbendes beroep af omdat in 2013 niet voldaan werd aan de eis (art. 8.15 Wet IB) van meer dan zes maanden ingeschreven staan op hetzelfde woonadres. Het stond de wetgever vrij om voor dit objectieve criterium te kiezen: hij is daarmee binnen zijn ruime beoordelingsmarge gebleven. Het Hof Arnhem-Leeuwarden zag in de wettelijke inschrijvingseis geen schending van het discriminatieverbod van art. 14 EVRM / art. 26 IVBPR. Hij achtte wel het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geschonden omdat de staatssecretaris bij besluit van 11 november 2011, heeft goedgekeurd dat de alleenstaande-ouderkorting toekomt aan een alleenstaande ouder die met kind aan boord van een binnenschip zonder vaste ligplaats woont en die (i) niet op een woonadres ingeschreven kunnen staan in de basisadministratie persoonsgegevens, (ii) wel op hetzelfde briefadres staan ingeschreven, en (iii) aan de overige voorwaarden van art. 8.15 Wet IB 2001 voldoen. Volgens het Hof valt belanghebbendes geval volledig binnen de doelstelling van de wet en ook binnen de doelstelling van het genoemde Besluit, zodat het begunstigende beleid voor binnenvaartschippers ook op belanghebbendes daarmee vergelijkbare geval moet worden toegepast. In het principale cassatieberoep betoogt de Staatssecretaris dat belanghebbendes situatie niet vergelijkbaar is met die van de binnenschippers voor wie het Besluit geldt, aan de eisen waarvan hij dan ook niet voldoet. Hij meent dat volgens vaste jurisprudentie de tekst van art. 8.15 Wet IB noch diens wetsgeschiedenis ruimte biedt om voor de toekenning van de alleenstaande-ouderkorting aan te sluiten bij het feitelijke woonadres van het kind in plaats van bij de wettelijke inschrijvingsvoorwaarde. Het Hof miskent dat ook de Besluitgever, door GBA-inschrijving op hetzelfde briefadres te eisen, net als de formele wetgever een objectief en controleerbaar criterium wenste. De Staatssecretaris acht belanghebbendes geval rechtens noch feitelijk vergelijkbaar met dat van binnenschippers zonder vaste ligplaats die zich enkel op een briefadres kunnen inschrijven in de GBA. Incidenteel bestrijdt de belanghebbende ’s Hofs oordeel dat de wetgever binnen de hem toekomende ruime beoordelingsbevoegdheid is gebleven, en dat art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR niet zouden zijn geschonden. De inschrijvingseis dient tot voorkoming van dubbele aanspraken (van gescheiden co-ouders) en het stellen van die eis aan een alleenstaande vader wiens echtgenote is overleden acht hij evident disproportioneel en van redelijke grond ontbloot. A-G Wattel behandelt in een bijlage bij de conclusie, die ook hoort bij de zaak met nummer 18/01717 waarin hij op dezelfde dag heeft geconcludeerd, de voor beide zaken relevante vraag hoe voor de toepassing van de alleenstaande-ouderkorting ex (het inmiddels vervallen) art. 8.15 Wet IB de eis van inschrijving van ouder en kind op hetzelfde woonadres moet worden uitgelegd als inschrijving op een woonadres van (één van) beiden überhaupt niet mogelijk of te gevaarlijk is, of inschrijving op een woonadres wel mogelijk is, maar niet op hetzelfde adres. A-G Wattel concludeert dat teleologische, wetshistorische en redelijke wetstoepassing, dus in overeenstemming met doel, strekking en geschiedenis van de wet én van de inschrijvingseis, meebrengt dat de (a) materieel kwalificerende belanghebbende ((i) geen partner, (ii) huishouding met geen ander dan kinderen, (iii) in belangrijke mate het kind onderhoudende en (iv) gezamenlijke huishouding met dat kind voor meer dan zes maanden) die (b) in een door de fiscale wetgever niet-voorzien geval (c) buiten zijn toedoen en (d) ook overigens niet toerekenbaar in de onmogelijkheid van (gezamenlijke) inschrijving verkeert, en die (e) aantoont dat de uitvoeringsproblemen en dubbele-aanspraakrisico’s waartegen de inschrijvingseis waakt, zich niet kunnen voordoen (en daarmee het doel van de inschrijvingseis dus realiseert), recht heeft op de alleenstaande-ouderkorting. Niet in geschil is dat in casu aan alle materiële eisen voor toekenning van de korting is voldaan. Dan resteert de vraag of het op één woonadres ingeschreven staan van vader en zoon voor hen onmogelijk was wegens aan hen toe te rekenen omstandigheden. De Inspecteur heeft bij het Hof expliciet niet betwist dat de zoon vóór 28 augustus 2013 niet kon worden ingeschreven op het woonadres van de belanghebbende en de Staatssecretaris bestrijdt die vaststelling niet. De A-G meent dat in dat geval teleologische en wetshistorische wetsuitleggen, die dezelfde kant op wijzen en tot een eenduidig en redelijk resultaat leiden, in casu prevaleren boven een puur tekstuele die tot een onredelijk resultaat leidt, met name omdat het tekstdeel dat spanning oplevert (de formele inschrijvingseis), volgens de wetgever slechts een puur uitvoerbaarheidsdoel dient dat in gevallen zoals dat van de belanghebbende – naar niet in geschil is – niet in gevaar kan komen. Belanghebbendes door de fiscale wetgever niet-voorziene situatie komt daarmee volgens de A-G in aanmerking voor de korting. Het incidentele cassatieberoep is kennelijk voorwaardelijk ingesteld en kan dus buiten behandeling blijven. Zou het wel aan bod komen, dan meent de A-G dat het faalt. Conclusie: principaal cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond; voorwaardelijke incidentele cassatieberoep buiten behandeling laten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken