Conclusie A-G Paridaens 27 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1329
Opzetheling, art. 416 Sr. Middel klaagt ten eerste over onverenigbaarheid betrekken niet verschaffen aannemelijke verklaring met art. 6.2 EVRM en art. 6 EU-Richtlijn 2016/343/EU. De omstandigheid dat verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op art. 29.1 Sv, niet tot het bewijs bijdragen. De rechter mag echter bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. Art. 6.2 EVRM staat daaraan niet in de weg (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BW7372). Datzelfde geldt, mede gelet op overweging 28 van de preambule bij EU-Richtlijn 2016/343/EU, voor art. 6 van deze Richtlijn, nog daargelaten dat de omzettingstermijn eerst op 1 april 2018 - en derhalve na de bestreden uitspraak - is verstreken (art. 14.1 Richtlijn 2016/343/EU). Middel faalt in zoverre en geen reden voor prejudiciële vragen aan HvJ EU. Middel bevat voorts bewijsklacht wetenschap ten tijde van voorhanden krijgen. Voor een bewezenverklaring van opzetheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte "ten tijde van" onder meer het verwerven of het voorhanden krijgen van een goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Voor een bewezenverklaring van opzetheling dient te worden vastgesteld dat verdachte "ten tijde van" onder meer het verwerven of het voorhanden krijgen van een goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever met het opnemen van het bestanddeel "ten tijde van" onder meer het verwerven of voorhanden krijgen van het goed in art. 416.1.a. Sr heeft willen bewerkstelligen dat in het geval dat iemand eerst na het verwerven of voorhanden krijgen wetenschap heeft verkregen van de herkomst uit misdrijf, hij niet strafbaar is ter zake van opzetheling, zoals die in art. 4161.a. Sr als misdrijf is strafbaar gesteld. Wel kan dan onder omstandigheden sprake zijn van het strafbare feit van art. 4161.b. Sr of - tegenwoordig - van witwassen. De rechter mag bij de bewijsvoering t.z.v. de wetenschap van de herkomst uit misdrijf "ten tijde van" o.m. het verwerven of voorhanden krijgen van een goed betrekken dat aanwijzingen ontbreken dat de wetenschap van de herkomst uit misdrijf eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen van het goed. Daarbij kan de procesopstelling van verdachte een rol spelen. Het vorenstaande geldt eveneens voor schuldheling (art. 417bis.1 Sr), waarbij niet het weten, maar het redelijkerwijs moeten vermoeden van de herkomst uit misdrijf wordt vereist. Hof heeft o.m. vastgesteld dat verdachte is aangetroffen in de auto, deze auto op dat moment niet was voorzien van het originele kenteken, de verdachte niet beschikte over de autopapieren van de auto en de verdachte geen geloofwaardige hem ontlastende verklaring heeft gegeven voor het voorhanden hebben van deze auto. Uit deze vaststellingen heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte ook "ten tijde van" het voorhanden krijgen van de in de bewezenverklaring vermelde auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Ook deze klacht faalt, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:393
- HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:644
- HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:652
- HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:678
- HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1332
- HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:536
- HR 15 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9639
- HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733
- HR 19 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1812
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2016:818