Conclusie A-G Wattel 25 september 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1039
(tweede) crisisheffing; kan die worden geheven als de degene die in 2013 inhoudingsplichtig was (de belanghebbende) op het wettelijke genietings- en heffingsmoment (31 maart 2014) niet meer bestond doordat de vereffening van haar vermogen op 15 december 2013 was voltooid en niet is heropend? Reikwijdte van de in art. 32bd(3) Wet LB gedelegeerde bevoegdheid Feiten: de belanghebbende dreef een praktijk waarin [B] als tandarts werkte. [B] hield alle aandelen in de belanghebbende, die op 15 december 2013 is opgehouden te bestaan. In 2013 genoot [B] van de belanghebbende loon ad € 279.740, waarop de laatste € 117.358 loonheffing inhield. Aan de belanghebbende is in 2014 een naheffingsaanslag crisisheffing ad € 12.230 opgelegd over maart 2014. In geschil of de crisisheffing kon worden geheven van een werkgever die op het wettelijke genietings- en heffingsmoment (31 maart 2014) niet meer bestond. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant achtte de belanghebbende crisisheffingsplichtig als ‘gewezen inhoudingsplichtige’ in de zin van art. 32bd Wet LB juncto art. 10f(2) Uitv. Besl. LB. Zij zag geen strijd met artikel 1 Protocol I EVRM. Het Hof Den Bosch daarentegen meende dat art. 32bd(3) Wet LB niet de bevoegdheid delegeert om de term ‘inhoudingsplichtige’ te verbreden en dat de besluitgever met art. 10f(2) Uitv. Besl. LB zijn bevoegdheid was gegaan. Ook als dat anders zou zijn, achtte hij de belanghebbende geen ‘gewezen inhoudingsplichtige’ ex art. 10f(2) Uitv. Besl. LB. Heffings-bevoegdheid vloeide volgens het Hof evenmin rechtstreeks voort uit de zinsnede “in afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde” in art. 32bd Wet LB. De Staatssecretaris stelt in cassatie dat (i) art. 32bd Wet LB rechtstreeks basis biedt voor crisisheffing ten laste van een in 2014 niet meer bestaande vennootschap nu die bepaling heffing voorziet “in afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde”; (ii) de wetgever in de parlementaire toelichting expliciet heeft verklaard dat ook zou kunnen worden geheven van op het wettelijke heffingsmoment niet meer bestaande vennootschappen die in het voorafgaande jaar inhoudingsplichtig waren geweest, en (iii) de besluitgever (dus) binnen de aan hem gedelegeerde bevoegdheid is gebleven. A-G Wattel acht ad (i) onjuist de opvatting van de regering in de Eerste Kamer dat crisisheffing ten laste van op het genietings- en heffingstijdstip niet meer bestaande werkgevers een ‘nagekomen verplichting’ zou zijn. Het gaat immers om een welbewust pas op 31 maart 2014 in het leven geroepen verbintenis uit de wet en daarmee ook volgens de wetgever om een tijdstipbelasting op 31 maart 2014 en niet om een belasting over het tijdvak 2013. De belanghebbende bestond niet op dat moment, noch tijdens enig deel van enig heffingstijdvak. Op basis van de formele wet (artt. 6 - 8 Wet LB) kan de belanghebbende, die op 15 december 2013 verdween, dan niet als inhoudingsplichtig of eindbelastingplichtig aangemerkt worden op 31 maart 2014. Met de term “in afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde” in art. 32bd Wet LB bedoelde de wetgever voorste slechts dat de crisisheffing een eindheffing is die niet in plaats van, maar náást de reguliere loonheffing werd geheven. Ad (ii): Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de regering gevallen waarin de inhoudingsplichtige niet meer zou bestaan, bijvoorbeeld doordat die zou zijn overgenomen, ook onder de regeling wilde vatten, maar dat de Eerste Kamer betwijfelde of zo’n geval door de wettekst werd gevat. De regering stelde geen novelle voor, maar stelde de door de Tweede Kamer al aanvaarde bevoegdheid ex art. 32bd(3) Wet LB te kunnen gebruiken “om iedere discussie op dit punt (…) uit te sluiten.” Die bepaling delegeert echter niet de bevoegdheid om een volgens de wet (artt. 6 en 8 Wet LB) niet bestaande inhoudingsplichtige aan te wijzen. Zij zag op voorkoming van ontwijking door zzp-constructies. De Raad van State adviseerde expliciet dat art. 32bd(3) Wet LB geen basis bood voor art. 10f(2) Uitv. Besl. LB. Desondanks heeft de regering welbewust nagelaten om crisisheffing in een geval zoals dat van de belanghebbende van een wettelijke basis te voorzien. Mede gezien het ex warrant-arrest (HR BNB 1996/138) meent de A-G daarom dat de expliciet geuite wens van de medewetgever tijdens de behandeling in de Eerste Kamer onvoldoende basis is om de door de Tweede Kamer reeds aanvaarde wet zó te interpreteren als zij welbewust juist niet is geformuleerd, mede gegeven dat het om temporeel terugwerkende wetgeving gaat die volgens de Hoge Raad gerechtvaardigde verwachtingen schond. Voor grondslagverbreding van een dergelijke heffing moet volgens de A-G een volstrekt ondubbelzinnige wettelijke basis bestaan. Ad (iii): De term “door een inhoudingsplichtige” in art. 32bd(3) Wet LB zou volgens de Staatssecretaris overbodig zijn als hij niet de regering bevoegd maakt om een in 2014 niet (meer) bestaande inhoudingsplichtige toch als inhoudingsplichtig aan te wijzen. Volgens de A G geeft die term – geheel conform de anti-zzp-constructie-ratio van de bepaling – aan dat het moet gaan om als zelfstandig inkomen vermomd loon afkomstig van een als opdrachtgever vermomde werkgever en is de term dus niet overbodig. De bevoegdheid om een ander dan de inhoudingsplichtige van de artt. 6 of 7 Wet LB aan te wijzen, wordt (alleen) in art. 8 Wet LB gedelegeerd, en in die bepaling komt belanghebbendes geval niet voor. Zou het de bedoeling zijn geweest om ook bij of krachtens art. 32bd(3) Wet LB een ander aan te wijzen dan de personen in de artt. 6 en 7, dan zou dat uiterst onsystematische wetgeving zijn, gegeven het bestaan van art. 8 Wet LB. Conclusie: beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 104 Gw
- Artikel 6 LB
- Artikel 7 LB
- Artikel 8 LB
- Artikel 20a LB
- Artikel 20b LB
- Artikel 26 LB
- Artikel 26b LB
- Artikel 32bd LB
- Artikel 10f Uitv besl LB
- Artikel 2:19 BW2
- Artikel 2:23c BW2
- Artikel 6:10 Awb
- Artikel 8:77 Awb
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Aangehaalde uitspraken
- Hof 's-Hertogenbosch 15 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1134
- HR 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2655
- Rb. Zeeland-West-Brabant 20 juni 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:5618
- HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121
- HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:124
- HR 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK8288
- HR 21 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0632
- HR 24 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1820
- HR 4 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:BH8488
- HR 17 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4418