Hof 's-Hertogenbosch 15 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1134

Pseudo-eindheffing hoog loon (artikel 32bd van de Wet LB 1964). Belanghebbende is in december 2013 geliquideerd. De vereffening is niet heropend. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 maart - 31 maart 2014 een aanslag pseudo-eindheffing hoog loon opgelegd. Het Hof is van oordeel dat de besluitgever de hem door de wetgever, middels het derde lid van artikel 32bd van de Wet LB gegeven bevoegdheid, heeft overschreden, door in artikel 10f UBLB 1965 bepalingen op te nemen betreffende een inhoudingsplichtige. Voorts oordeelt het Hof dat uit artikel 10f UBLB 1965 onvoldoende blijkt dat belanghebbende als gewezen inhoudingsplichtige kan worden aangemerkt. Ook acht het Hof het niet aannemelijk dat de besluitgever met het bepaalde in artikel 10f UBLB 1965 bedoeld heeft dat een aanslag pseudo-eindheffing hoog loon kan worden opgelegd over een tijdvak waarin een vennootschap niet meer bestaat.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken