Conclusie A-G Spronken 4 juli 2017, ECLI:NL:PHR:2017:913
Executie-uitlevering aan Servië. Dreigende of voltooide schending art. 3 en 6 EVRM? De Rb heeft als haar oordeel tot uitdrukking gebracht dat het aangevoerde niet de slotsom wettigt dat t.a.v. de opgeëiste persoon sprake is van een voltooide schending van de fundamentele rechten a.b.i. art. 3 EVRM noch van een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM. Dat oordeel is feitelijk en - in aanmerking genomen dat de verweren niet zijn gestaafd met bescheiden die de opgeëiste persoon zelf betreffen - niet onbegrijpelijk. Dat de Rb abusievelijk rept van een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM, doet hieraan niet af. De Rb heeft voorts - in reactie op het verweer dat de opgeëiste persoon na uitlevering zal worden blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling - overwogen dat het verweer een dreigende schending van art. 3 EVRM betreft en om die reden niet ter beoordeling van de Rb staat, maar van de Minister van Veiligheid en Justitie. Dit oordeel van de Rb m.b.t. de bevoegdheidstoedeling aan de rechter en de Minister is juist. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463
- HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680
- Rb. Amsterdam 9 augustus 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:5147
- HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2489
- HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0838
- HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0875
- HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288
- HR 20 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3308
- HR 21 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1913
- HR 19 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7138
- HR 21 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5215
- HR 17 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0602
- HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547