Conclusie A-G IJzerman 13 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:355
[C], erflater, was aan het begin van het jaar 2014 genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een woning en van een perceel, beide gelegen in [R]. Tussen de woning en het perceel zijn diverse woningen en zijstraten gelegen. Het perceel heeft een oppervlakte van 3.220 m2. Het perceel heeft een verharde oprit van en naar de openbare weg. Het perceel is deels in gebruik als boomgaard. Op het perceel staan een werktuigenberging met een aangebouwde overkapping en een houten tuinhuis. Op grond van artikel 17 van de Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Op grond van artikel 16, aanhef, en onder d, van de Wet WOZ, wordt als één, als samenstel te waarderen, onroerende zaak aangemerkt: een samenstel van twee of meer objecten die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren. De Heffingsambtenaar heeft aan erflater bij in één geschrift vervatte WOZ beschikkingen, de waarde per waardepeildatum 1 januari 2013 van de onroerende zaken, de woning en het perceel, voor het kalenderjaar 2014 vastgesteld op € 170.000 respectievelijk € 37.000. De Heffingsambtenaar heeft de woning en het perceel dus niet als samenstel in de zin van artikel 16, aanhef, en onder d, van de Wet WOZ, aangemerkt. Ingevolge artikel 5 van de Verordening onroerende-zaakbelastingen 2014 van de gemeente Zederik, wordt eigenarenbelasting geheven naar twee verschillende tarieven. Het tarief van de eigenarenbelasting, als percentage van de heffingsmaatstaf, zijnde de ingevolge de Wet WOZ vastgestelde waarde, bedraagt voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot bewoning dienen 0,1139%. Voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot bewoning dienen bedraagt dat tarief 0,1765%. Bij de genoemde WOZ-beschikkingen zijn bekend gemaakt de aan erflater voor het jaar 2014, ter zake van de woning en ter zake van het perceel, opgelegde ozb-aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Zederik. Daarbij is de eigenarenbelasting voor de woning berekend naar een tarief van 0,1139% (resulterend in een belastingbedrag van € 193). De eigenarenbelasting voor het perceel is berekend naar een tarief van 0,1765%, zijnde het (hogere) tarief voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot bewoning dienen (resulterend in een belastingbedrag van € 65). De gebruikersbelasting voor het perceel is berekend naar een tarief van 0,1354% (resulterend in een belastingbedrag van € 50). Het Hof heeft daartoe geoordeeld dat belanghebbenden, de erven, niet aannemelijk hebben gemaakt dat de woning en het perceel naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat er geen (uiterlijke) kenmerken zijn die erop duiden dat de woning en het perceel één geheel vormen. Zo is er geen directe verbinding of relatie tussen beide objecten anders dan het gemeenschappelijke eigendom en gebruik: de woning ligt in de kern van het dorp Ameide en het perceel in het buitengebied, de objecten liggen op een afstand van een paar honderd meter van elkaar met vele tussenliggende gebouwde en ongebouwde objecten en zijstraten en de objecten kunnen afzonderlijk van elkaar verkocht worden. Ook heeft het Hof geoordeeld dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Belanghebbenden stellen in hun eerste cassatiemiddel dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbenden niet aannemelijk hebben gemaakt dat de woning en het perceel naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen. De A-G leidt af uit wetsgeschiedenis en jurisprudentie dat de wettelijke passage ‘naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren’, vergt dat de objecten in samenhang beschouwd, onderdeel vormen van een functioneel gebied, waarin de afzonderlijke objecten complementair aan elkaar zijn. Daarvan uitgaande acht de A-G, wat er ook zij van de aangelegde maatstaven, juist het oordeel waartoe het Hof is gekomen, omdat de stukken van het geding en de daaruit blijkende omstandigheden van het geval laten zijns inziens geen andere conclusie toelaten dan dat het onderhavige perceel en de woning niet als een samenstel kunnen worden aangemerkt, zodat het eerste middel niet tot cassatie kan leiden. In het tweede middel bestrijden belanghebbenden met motiveringsklachten ‘s Hofs oordeel dat de Heffingsambtenaar aan de op hem rustende bewijslast, bestaande uit het aannemelijk maken dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld, heeft voldaan. De A-G merkt op dat op een heffingsambtenaar de bewijslast rust om aannemelijk te maken in hoeverre de door hem bij de waardebepaling in aanmerking genomen vergelijkingsobjecten vergelijkbaar waren met de woning van belanghebbenden. De Heffingsambtenaar moet ingaan op betwiste punten. Volgens de A-G is het Hof uitgegaan van die maatstaven, terwijl de in dat kader gemaakte feitelijke afwegingen begrijpelijk te achten zijn. Het tweede middel faalt aldus. Met het derde middel verzetten belanghebbenden zich tegen het oordeel van het Hof dat het houten tuinhuis geen waarde vertegenwoordigt en dat gelet hierop moet worden geoordeeld dat het perceel niet in hoofdzaak tot woning dient. De A-G meent dat ook dit middel faalt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9542
- Hof Den Haag 21 september 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2800
- Rb. Rotterdam 24 december 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:9642
- HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3514
- HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:982
- Hof Arnhem-Leeuwarden 22 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0266
- Hof Arnhem 6 maart 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BV9120
- Hof Leeuwarden 8 maart 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ2917
- Hof 's-Gravenhage 28 mei 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BM9491
- HR 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3060
- HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AO0656
- Hof Amsterdam 18 juli 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AI0526
- HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD6058
- Hof Arnhem 29 januari 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AF4932
- HR 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8146
- Hof Amsterdam 20 maart 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AB1012
- HR 29 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8604
- HR 2 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5609