Conclusie A-G IJzerman 21 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:310
Eén van de voormalig firmanten van belanghebbende exploiteerde in de jaren 2007, 2008 en 2009 een agrarisch loonbedrijf in de vorm van een eenmanszaak. Op 1 oktober 2009 is deze eenmanszaak met terugwerkende kracht per 1 januari 2009 omgezet in een vennootschap onder een firma (Vof). Per 31 december 2009 is de Vof ontbonden. Belanghebbende heeft in 2009 aan diverse werknemers auto’s ter beschikking gesteld voor de uitoefening van hun werkzaamheden. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de Inspecteur geconcludeerd dat in 2009 ten onrechte de inhouding van loonheffing achterwege is gelaten ter zake van geconstateerd privégebruik van de ter beschikking gestelde auto’s. Bovendien heeft de Inspecteur geconstateerd dat niet alle door de werknemers gewerkte uren zijn verantwoord en dat belanghebbende over 2009 bovenmatige onbelaste reiskostenvergoedingen aan zijn werknemers heeft verstrekt. De Inspecteur heeft daarop aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de loonheffingen over het jaar 2009 opgelegd, met oplegging van een vergrijpboete en in rekening brengen van heffingsrente. Na verleende vermindering bij uitspraak op bezwaar heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard voor zover gericht tegen de naheffingsaanslag en gegrond verklaard voor zover gericht tegen de boetebeschikking. De Rechtbank heeft de boete verlaagd, tot op het niveau van grove schuld. Belanghebbendes hoger beroep is door het Hof ongegrond verklaard, met bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof heeft belanghebbendes stelling verworpen dat, gelet op het feit dat de vennootschap onder firma is ontbonden, de boete dient te vervallen. Daartoe heeft het Hof overwogen dat ook in het onderhavige geval na de ontbinding van de Vof niet een situatie is ingetreden op grond waarvan moet worden aangenomen dat de voormalige vennoten in de onmogelijkheid verkeren zich te verdedigen. Belanghebbende komt thans in cassatie op tegen het oordeel van het Hof, met de klacht dat het Hof heeft miskend toepassing te geven aan de rechtsopvatting dat een vennootschap onder firma in het maatschappelijk verkeer als een afzonderlijk rechtssubject wordt behandeld en daaraan het rechtsgevolg te verbinden dat aan een niet-bestaand lichaam of (afzonderlijk) rechtssubject, dus hier de ontbonden vennootschap onder firma, opgelegde aanslag en beschikkingen nietig zijn. Het lijkt de A-G in overeenstemming met de Wet LB en de AWR dat de Vof, die immers op het tijdstip waarop het loon werd genoten, in 2009, nog niet was ontbonden en derhalve in 2009 verplicht was de onderhavige niet betaalde loonbelasting te betalen, is aan te merken als degene aan wie de onderhavige naheffingsaanslag moest worden opgelegd. Volgens de A-G doet het feit dat de Vof op het moment dat de naheffingsaanslag aan haar werd opgelegd al was ontbonden, daaraan niet af. De A-G meent dat het mogelijk, en zelfs aangewezen, is om een belastingaanslag op leggen aan een inmiddels ontbonden rechtspersoon of samenwerkingsverband (zoals in casu belanghebbende), waar de belastingaanslag niets anders is dan de formalisering van een belastingschuld welke materieel is ontstaan gedurende haar bestaan. Aan belanghebbende is met de naheffingsaanslag, bij gelijktijdig gegeven beschikking ook een vergrijpboete opgelegd. Kennelijk stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de vennoten ten aanzien van de boete, doordat deze is opgelegd aan de thans ontbonden Vof, in de onmogelijkheid zouden verkeren zich tegen deze boete te verdedigen, wat strijdigheid op zou leveren met artikel 6 EVRM. Dat lijkt de A-G niet het geval te zijn, omdat een vergrijpboete wordt opgelegd bij voor bezwaar vatbare beschikking, zodat aldus betwisting van de boete mogelijk is. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 51 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 18 WvK
- Artikel 19 WvK
- Artikel 20 WvK
- Artikel 21 WvK
- Artikel 51 Sr
- Artikel 3a Fw
- Artikel 4 Fw
- Artikel 2 AWR
- Artikel 19 AWR
- Artikel 20 AWR
- Artikel 27e AWR
- Artikel 52a AWR
- Artikel 67f AWR
- Artikel 67g AWR
- Artikel 67i AWR
- Artikel 1 LB
- Artikel 6 LB
- Artikel 10 LB
- Artikel 11 LB
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 21 september 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2869
- HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1515
- Rb. Den Haag 12 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:15469
- HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:588
- HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251
- Conclusie A-G Timmerman 31 oktober 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2114
- HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840
- HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3574
- HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:AU0838
- HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9037
- HR 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK8288
- HR 13 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9261
- HR 30 januari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AX0068
- HR 18 december 1959, ECLI:NL:HR:1959:BG9455
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2011:838