Conclusie A-G IJzerman 21 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1460

A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraken van het gerechtshof Amsterdam van 3 januari 2017, nr. 15/00596 t/m 15/00598. In deze conclusie wordt uitgegaan van de feiten in de zaak van één van de drie kinderen van erflater, belanghebbende (nr. 17/00649). Op 21 september 1981 is de erflater overleden. Ten tijde van zijn overlijden woonde erflater in Nederland. Tot erfgenamen heeft erflater zijn drie kinderen benoemd. Op 30 december 2011 hebben de erfgenamen aan de Belastingdienst meegedeeld dat erflater ten tijde van zijn overlijden beschikte over eerder niet aangegeven buitenlands vermogen. Als gevolg daarvan is met dagtekening 18 februari 2013 aan elk van de drie erfgenamen, waaronder belanghebbende, een navorderingsaanslag in het successierecht opgelegd. Bij de oplegging van de navorderingsaanslag is de Inspecteur uitgegaan van een verkrijging van € 453.780 (ƒ 1.000.000) per erfgenaam. Belanghebbende heeft zich in bezwaar en beroep gesteld op het standpunt dat de bevoegdheid tot het mogen opleggen van een navorderingsaanslag was vervallen ten tijde van de oplegging daarvan. Het Hof heeft belanghebbende in het gelijk gesteld en heeft de navorderingsaanslag vernietigd. De Staatssecretaris komt in cassatie op tegen het oordeel over de verjaring met twee middelen. Het gaat in deze procedure, thans in cassatie, over de interpretatie van het overgangsrecht ter zake van de opvolgende wettelijke regelingen van de verjaringstermijn voor navordering, bij het overgaan van een bepaalde wettelijke regeling in een opvolgende wettelijke regeling. In de regelingen zijn vier wettelijke fasen te onderscheiden. Wettelijke fase 1. Tot 31 december 1984 gold dat door verjaring de bevoegdheid tot het opleggen van een navorderingsaanslag in het successierecht, ingeval de aangifte over buitenlands vermogen niet, onjuist of onvolledig was gedaan, verviel na vijf jaren, te rekenen vanaf de dag waarop de bedoelde onjuistheid of onvolledigheid ter kennis van de inspecteur was gekomen. In fase 1 was dus niet van belang hoe lang geleden de verkrijging had plaatsgevonden, maar werd uitgegaan van het tijdstip van ontdekking van een bepaalde onjuistheid door de inspecteur. Na ontdekking had de inspecteur vervolgens vijf jaren de gelegenheid om een navorderingsaanslag op te leggen. Wettelijke fase 2. Met ingang van 1 januari 1985 is artikel 66 van de Successiewet gewijzigd. Aangesloten is bij de voor navordering in het algemeen geldende termijnen ingevolge de AWR. Dat betekent ook dat voor de berekening van de uiterste termijnen voor het nog kunnen opleggen van een navorderingsaanslag, niet meer werd uitgegaan van het tijdstip waarop de inspecteur een bepaalde onjuistheid ontdekt had. De navorderingstermijn werd wettelijk gesteld op vijf jaren, ingaande na de dag van de inschrijving van de akte van overlijden in de registers van de burgerlijke stand. Deze wetswijziging is, ingevolge het voorziene overgangsrecht, destijds ingegaan voor verkrijgingen krachtens erfrecht die hebben plaatsgevonden vanaf 1 januari 1985. Wettelijke fase 3. Met ingang van 8 juni 1991 is een verlengde navorderingstermijn van twaalf jaren voor in het buitenland gehouden of opgekomen vermogensbestanddelen ingevoerd in artikel 16, vierde lid, van de AWR. Ingevolge het overgangsrecht blijft de gewijzigde tekst van artikel 16, vierde lid, van de AWR buiten toepassing voor gevallen waarin, op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag reeds was vervallen. Wettelijke fase 4. Met ingang van 1 januari 2012 is er geen wettelijke verjaring meer van de navorderingsbevoegdheid voor erfbelasting ter zake van, later bij de inspecteur bekend geworden, buitenlands vermogen. Deze vierde, de huidige, fase speelt in deze procedure in cassatie geen rol meer. De A-G noemt vijf argumenten waarom het oordeel van het Hof, dat hier sprake is van verjaring, juist te achten is. 1) Het algemeen aanvaarde uitgangspunt dat een in werking getreden wettelijke bepaling in beginsel onmiddellijke werking heeft. Toegepast op de onderhavige zaak, betekent dit dat de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaren van toepassing is op alle rechtsfeiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan voor de inwerkingtreding van de Wijzigingswet van 22 mei 1991, per 8 juni 1991, waaronder dus ook verkrijgingen van voor 1 januari 1985, zoals die van belanghebbende. 2) Dat het bij de invoering van fase 3 voorziene overgangsrecht, dat niet ziet op belanghebbende, is te zien als een uitzondering op het algemene uitgangspunt van directe werking. 3) Dat áls de wetgever in het overgangsrecht van fase 2/3 eerbiedigende werking had willen opnemen voor het overgangsrecht getroffen voor fase 1/2, het op de weg van de wetgever had gelegen de in zoverre voor die oude groep voortgezette regeling van onbeperkt navorderen, te expliciteren. Nu dit niet is gebeurd kan er vanuit worden gegaan dat dit niet de intentie van de wetgever is geweest. 4) Dat in de wetsgeschiedenis van fase 3 is opgemerkt dat een onbeperkte navorderingsbevoegdheid in strijd komt met het belang dat in Nederland wordt gehecht aan de rechtszekerheid die de burger toekomt en dat een verdere verlenging van de navorderingstermijn dan twaalf jaren een te fors te achten inbreuk op het rechtszekerheidsbeginsel is. Het komt de A-G voor dat de hier in het middel van de Staatssecretaris voorgestelde uitkomst, als neerkomend op continuering van de onbeperkte navordering in de tijd volgens fase 1, in strijd komt met de gedachtenvorming zoals die bij de wetgever was geworden in fase 3. 5) Dat de A-G een zekere voorkeur voelt voor uitleg van overgangsrecht bij termijnbepalingen ten gunste van de belastingplichtigen, als de nieuwe wetgeving daarvoor ruimte laat. Vaagheid van de kant van de wetgever, zou hij bij voorkeur niet willen brengen ten laste van de belastingplichtigen. Dat betekent volgens de A-G dat de navorderingstermijn hier geëindigd is twaalf jaren na de inschrijving bij de burgerlijke stand van de akte inhoudende dat erflater is overleden op 21 september 1981, derhalve op 21 september 1993. De onderhavige navorderingsaanslag met dagtekening 18 februari 2013, is dus buiten de geldende navorderingstermijn opgelegd. Aldus faalt het eerste middel van de Staatssecretaris. De Staatssecretaris komt met het tweede middel op tegen het oordeel van het Hof dat de bevoegdheid tot het tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervallen is in gevallen waarin op het moment van de wetswijziging de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar reeds was verstreken. Het tweede middel van de Staatssecretaris faalt, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:356, waarin een inhoudelijk gelijkluidend middel als het onderhavige door de Hoge Raad ongegrond is verklaard. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken