Conclusie A-G Niessen 13 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:957
Aan belanghebbende is (met dagtekening 19 december 2012) voor het jaar 2009 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.382. Door de Inspecteur is hierbij geen loonbelasting verrekend. Belanghebbende was in 2009 werkzaam voor een tweetal vennootschappen, (B en C) die geen loonbelasting hebben ingehouden. Aan B (over de maanden mei t/m november 2009) en C (december 2009) zijn met dagtekeningen tussen 6 augustus 2009 tot en met 24 januari 2011 naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd. Nadat belanghebbende aangiften IB/PVV heeft gedaan, zijn deze naheffingsaanslagen in februari en maart 2011 tot nihil verminderd. In geschil is of de naheffingsaanslagen verhinderen dat de Inspecteur belanghebbende in de inkomstenbelasting kan aanslaan. Het Hof heeft geoordeeld omtrent de vraag of loonheffing die begrepen is geweest in een bij wege van eindheffing opgelegde (overigens daarna tot nihil verminderde) naheffingsaanslag moet worden aangemerkt als ‘verschuldigd’ in de zin van artikel 3.84, lid 1, Wet IB 2001. Gelet op het systeem van loonheffing en heffing van IB/PVV zag het Hof geen aanleiding om belanghebbende te volgen in diens ruime uitleg van het begrip ‘verschuldigd’. Het oordeel van het Hof strekte ertoe dat de belasting niet was verschuldigd in de zin van artikel 3.84, lid 1 Wet IB 2001. Belanghebbende klaagt over een onjuiste toepassing van artikel 3.84 Wet IB 2001. Zijn betoogt strekt ertoe dat aan hem geen aanslag inkomstenbelasting had mogen worden opgelegd ter zake van loonbestanddelen die de Inspecteur had betrokken in de naheffingsaanslag loonbelasting, zulks ondanks dat die aanslag was verminderd tot nihil. Volgens A-G Niessen houdt artikel 3.84 Wet IB 2001 in dat van een werknemer geen inkomstenbelasting kan worden geheven ter zake van loonbestanddelen waarvoor in artikel 31 Wet LB 1964 de inhoudingsplichtige als belastingplichtige is aangewezen. Wanneer de inspecteur een naheffingsaanslag heeft opgelegd, moet deze – een nu niet relevante uitzondering daargelaten – volgens artikel 31 Wet LB 1964 een eindheffing behelzen en is volgens de A-G artikel 3.84 Wet IB 2001 heffing van inkomstenbelasting over het in de naheffingsaanslag betrokken loon uitgesloten. De Inspecteur legde de naheffingsaanslagen ambtshalve op, op basis van eigen schattingen. Op dat moment was hij niet op de hoogte van het feitelijk door belanghebbende genoten loon. Hij werd daarover pas geïnformeerd door diens aangifte inkomstenbelasting. Na de indiening daarvan werd de naheffingsaanslag verminderd tot nihil en werd de aanslag inkomstenbelasting opgelegd. Er is niet een naheffingsaanslag opgelegd ter zake van het door belanghebbende genoten loon. Belanghebbendes loon is dus niet bij wege van eindheffing belast bij de werkgever. Artikel 3.84 Wet IB 2001 is volgens de A-G niet van toepassing, aangezien de Inspecteur belanghebbendes loon niet op de voet van art. 31 Wet LB 1964 in een naheffingsaanslag heeft betrokken en de werkgever zodoende niet de belasting daarover verschuldigd is in de zin van artikel 3.84 Wet IB 2001. De tot nihil verminderde naheffingsaanslag stond dan ook niet in de weg aan de aanslag inkomstenbelasting. De conclusie strekt ertoe het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 5 januari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:28
- HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4142
- Hof 's-Gravenhage 23 december 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BG8809
- HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6063
- HR 22 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU0903
- Hof Arnhem 31 oktober 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AZ3280
- Hof Amsterdam 16 maart 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ7008
- HR 24 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3281