Conclusie A-G IJzerman 5 juli 2016, ECLI:NL:PHR:2016:756
Belanghebbende is eigenaar van een recreatiepark met een winkel en horecagelegenheid, gelegen in de bossen aan de rand van [Z]. Het park bestaat onder meer uit 70 recreatiechalets, 133 recreatiecaravans, 127 jaarplaatsen en 476 plaatsen voor caravans en tenten. Verder zijn op het park aanwezig een receptie/kantoor, een zwembad, sanitaire ruimten en wasruimten, een speelhuis, werkplaatsen en diverse speelvelden. De winkel en het horecapand zijn aan derden verhuurd. Het recreatiepark wordt door belanghebbende zelf geëxploiteerd. Permanente bewoning is op het recreatiepark niet toegestaan. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarden bekend gemaakt. Uitgaande van het aanmerken van het recreatiepark als een niet-woning, heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende, als eigenaar en als gebruiker, OZB-aanslagen opgelegd. Het gaat thans in cassatie alleen nog om de vraag of het recreatiepark dient te worden aangemerkt als een onroerende zaak die in hoofdzaak dient tot woning. Voor de eigenarenheffing betekent een aanmerken als woning, toepassing van het (lagere) tarief voor woningen. Verder geldt dat indien het recreatiepark in hoofdzaak dient tot woning, belanghebbende als gebruiker van het recreatiepark niet in de heffing van OZB kan worden betrokken. Verder stelt belanghebbende, voor het geval dat het recreatiepark niet als woning kan worden aangemerkt, dat de woondelenvrijstelling van artikel 220e van de Gemeentewet, leidend tot vermindering van de heffingsmaatstaf bij de gebruiker, van toepassing is. De door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van het object is niet in geschil. In casu is echter nog wel in geschil of indien de onderhavige recreatiechalets etc. inderdaad als woning moeten worden aangemerkt, dan meer dan 70% van het object aan woningen is toe te rekenen, zodat alsdan het gehele object, als recreatieterrein, als ‘woning’ moet worden aangemerkt. De Rechtbank heeft als maatstaf geformuleerd dat zowel voor de gebruikersheffing als voor de eigenarenheffing een onroerende zaak slechts (in hoofdzaak) tot woning dient als deze bestemd is voor permanente bewoning door de feitelijke gebruiker. Volgens de Rechtbank zijn de onderhavige recreatiechalets etc. niet bestemd voor permanente bewoning, zodat deze niet als woning kunnen worden aangemerkt. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank (sprong)cassatie ingesteld onder aanvoering van twee middelen. De toelichting op de Regeling Belastingcapaciteit biedt volgens de A-G geen steun voor het oordeel van de Rechtbank. De A-G meent dat voor het al dan niet als woning aanmerken van een bepaalde onroerende zaak niet bepalend is of die kan worden aangemerkt als duurzaam verblijf van de gebruiker. Uit de wetsgeschiedenis van de Aanpassingswet Wet waardering onroerende zaken blijkt volgens de A-G dat ook leegstaande of nog in aanbouw zijnde woningen, in dit kader te zien zijn als ‘woning’. Aldus komt de A-G tot de conclusie dat onjuist moet worden geacht het oordeel van de Rechtbank dat een onroerende zaak slechts (in hoofdzaak) tot woning dient als deze bestemd is voor permanente bewoning door de feitelijke gebruiker. De A-G wijst op de wetsgeschiedenis van de Aanpassingswet Wet waardering onroerende zaken, waarin is vermeld dat recreatiewoningen onder het woning-begrip kunnen worden geschaard. Dat eventueel bepaalde voorzieningen moeten worden gedeeld met andere recreatiewoningen, ziet de A-G niet als een beletsel. Dat in een recreatiewoning ook wordt gerecreëerd, acht de A-G in dit kader niet relevant. Volgens de A-G is de juiste maatstaf ter beoordeling of een recreatiewoning in dit kader als een woning kan worden aangemerkt, of die gezien de daarin aanwezige of daarbij behorende (basis)voorzieningen, fysiek en objectief geschikt is voor bewoning. Dat is hier volgens de A-G het geval. De aard van een recreatiewoning brengt met zich mee dat deze moet beschikken over basisvoorzieningen, voor dagbesteding, slapen, zich wassen en eten, die het mogelijk maken in de recreatiewoning duurzaam te verblijven en daarvan woongenot te hebben. Daaraan doet zijns inziens niet af dat een recreatiewoning is bestemd voor (al dan niet opvolgend) tijdelijk gebruik. Een eventueel (gemeentelijk) verbod op permanente bewoning van een recreatiewoning, betekent volgens de A-G niet dat die woning daardoor fysiek en objectief minder geschikt zou worden als woning. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbenden gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Gelderland 24 maart 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:1663
- Rb. Overijssel 11 maart 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:867
- Rb. Gelderland 29 september 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6020
- Rb. Gelderland 3 september 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5501
- Rb. Oost-Brabant 2 september 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:5194
- Rb. Gelderland 20 augustus 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5308
- Rb. Zeeland-West-Brabant 22 mei 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:3121
- Rb. Noord-Nederland 20 januari 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:250
- HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1326
- HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1125
- HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3270
- HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU5656
- Hof Amsterdam 8 september 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU6823
- Rb. Assen 10 september 2010, ECLI:NL:RBASS:2010:BR6190
- HR 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8976
- HR 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9075
- Conclusie A-G Niessen 16 november 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ8976
- HR 4 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4804
- HR 18 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9269