Conclusie A-G IJzerman 22 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:165
Ingevolge de Verordening toeristenbelasting van de gemeente Amsterdam wordt een gemeentelijke toeristenbelasting geheven ter zake van het tegen vergoeding houden van verblijf binnen de gemeente door niet ingezetenen. De Verordening wijst degene die gelegenheid biedt tot verblijf, zoals in hotels, pensions, appartementen en anderszins, aan als belastingplichtige. Belanghebbende is als belastingplichtige aangemerkt door de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam (hierna: de Heffingsambtenaar). Aan belanghebbende zijn aanslagen in de toeristenbelasting opgelegd. In cassatie is thans in geschil of belanghebbende kan worden aangemerkt als belastingplichtige voor de toeristenbelasting. Belanghebbende verhuurt, per contract telkens voor een aantal jaren, combinaties van tientallen door haar gemeubileerde appartementen aan bedrijven. Deze stellen de appartementen op tijdelijke basis, voor maximaal omstreeks zes maanden, wisselend ter beschikking aan tot hun (internationale) concern behorende (buitenlandse) werknemers die tijdelijk te werk zijn gesteld in en om Amsterdam, zogenoemde expats. In de huurovereenkomsten tussen belanghebbende en de bedrijven is opgenomen dat belanghebbende als verhuurder een aantal bijkomende diensten verricht, zoals schoonmaak en onderhoud van de appartementen en in- en uitchecken van de expats. Die diensten zijn voor rekening van de hurende bedrijven en opgenomen in de huurprijs. Overigens ontvangen de expats van belanghebbende maandelijks een factuur ten behoeve van door hen van belanghebbende afgenomen diensten, zoals gesprekskosten telefoon, stomerij, wasserij en dergelijke, welke niet zijn opgenomen in de huurprijs. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij als verhuurder van de appartementen aan de bedrijven, niet kan worden aangemerkt als belastingplichtige voor de toeristenbelasting, omdat belanghebbende zich niet ziet als degene die gelegenheid tot verblijf biedt, in de zin van de Gemeentewet en de Verordening. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende kan worden aangemerkt als belastingplichtige voor de heffing van de toeristenbelasting. Daartoe heeft het Hof in redengevend geacht: dat de verhuur door belanghebbende méér omvat dan het ‘kale’ ter beschikking stellen van woonruimte en dat tevens een pakket van diensten wordt overeengekomen op grond waarvan diensten (receptie, schoonmaak, wasserij, etc.) rechtstreeks aan, althans ten behoeve van de gasten worden geleverd. Naar ’s Hofs oordeel liggen de bedrijfsactiviteiten van belanghebbende daarmee in de sfeer van het hotel- en pensionbedrijf. Onder deze omstandigheden is belanghebbende naar gangbaar spraakgebruik aan te merken als degene die gelegenheid biedt tot verblijf, als bedoeld in de Verordening. Daaraan doet niet af dat belanghebbende de vergoeding voor haar diensten ontvangt van de bedrijven en niet van de gebruikers van de appartementen. Artikel 3 van de Verordening stelt immers niet als voorwaarde dat de belastingplichtige de in artikel 2 van de Verordening bedoelde vergoeding ontvangt van degenen die ‘verblijf houden’. Naar ’s Hofs oordeel dient het begrip ‘tegen vergoeding’ in het verband van artikel 2 en 3 van de Verordening veeleer te worden verstaan als ‘op commerciële basis’. Het eerste cassatiemiddel van belanghebbende houdt in dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat belanghebbende kan worden aangemerkt als belastingplichtige voor de heffing van de toeristenbelasting. Het komt de A-G voor dat de Hoge Raad nog geen maatstaf heeft ontwikkeld om de vraag te beantwoorden welke (rechts)persoon in een bepaald geval, waarin een keuze moet worden gemaakt, is aan te merken als degene die gelegenheid tot verblijf biedt. De onderhavige procedure toont, naar de A-G meent, aan dat er behoefte is aan een duidelijke maatstaf. Die behoefte is er overigens ook in het licht van de opkomst van allerlei internet bemiddelingsbureaus, welke aan (buitenlandse) toeristen tijdelijke woonruimte bij particulieren aanbieden. Onder welke condities zijn dergelijke bemiddelingsbureaus belastingplichtig? De A G zou de volgende maatstaf willen voorstellen. Degene die gelegenheid biedt tot verblijf, is degene die krachtens eigen bevoegdheid, als eigenaar van één of meer onroerende zaken, als huurder of anderszins, (i) met de verblijfhouder een (mede) op het verblijf gerichte overeenkomst sluit, (ii) feitelijk verblijf verschaft, en (iii) gerechtigd is tot de vergoeding die door of namens de verblijfhouder voor zijn verblijf moet worden betaald. In casu is het, naar de A-G meent, niet belanghebbende, maar zijn het de van belanghebbende hurende bedrijven die aan hun expats gelegenheid tot verblijf bieden, in de zin van de Gemeentewet en de Verordening. Dat betekent dat die bedrijven belastingplichtig zijn voor de toeristenbelasting, althans indien zij appartementen tegen vergoeding ter beschikking stellen aan expats. Het eerste middel slaagt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 23 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1947
- Hof 's-Hertogenbosch 13 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:871
- Hof Amsterdam 22 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1992
- Rb. Midden-Nederland 30 juli 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:3088
- Rb. Assen 6 maart 2012, ECLI:NL:RBASS:2012:BV9744
- HR 25 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7919
- HR 12 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3329
- Hof Arnhem 16 juni 1992, ECLI:NL:GHARN:1992:AS3084
- Hof Leeuwarden 23 november 1979, ECLI:NL:GHLEE:1979:AX0233
- Hof, ECLI:NL:GHAMS:1995:AS4350