Conclusie A-G Hofstee 29 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1481
Profijtontneming. OM-cassatie. Art. 378 Sv en art. 378a Sv. Casus: op verzoek van het hof in de onderhavige ontnemingszaak wordt het stempelvonnis van de Pr in de bijbehorende strafzaak ex art. 378a Sv alsnog uitgewerkt. In het op dat verzoek opgemaakte p-v met daarin de aantekening van het mondeling vonnis is, anders dan in het stempelvonnis, geen pleegdatum maar, overeenkomstig de tll, een pleegperiode bewezenverklaard. Het hof wijst de ontnemingsvordering af omdat het vasthoudt aan de pleegdatum in het stempelvonnis (en op die dag is geen profijt gegeneerd). HR: ’s Hofs overwegingen komen hierop neer dat in het rechtsgeding voor de Pr slechts in de gevallen die in art. 378.2 Sv zijn vermeld, een p-v ttz moet worden opgemaakt, en dat - behoudens indien schriftelijk vonnis wordt gewezen - buiten die gevallen zo een p-v niet mag worden opgemaakt. Die opvatting vindt geen steun in het recht. Gelet op art. 378a.5 Sv moet worden aangenomen dat ook in laatstbedoelde gevallen het stempelvonnis komt te vervallen. ’s Hofs oordeel dat nochtans moet worden uitgegaan van de pleegdatum als vermeld in het stempelvonnis behoeft nadere motivering aangezien dat stempelvonnis inmiddels was vervallen. Als zodanige motivering kan niet gelden de overweging van het hof dat een verdachte erop moet kunnen vertrouwen dat de uitspraak in zijn zaak overeenstemt met het stempelvonnis, reeds omdat niet blijkt dat door of namens de betrokkene beroep is gedaan op dat vertrouwen. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl