Conclusie A-G Ettema 7 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1254

Belanghebbende heeft in de periode van 1 april tot en met 5 augustus 2008 zes aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van spaarlampen. In deze aangiften heeft zij Thailand als land van oorsprong aangegeven. Het Department of Foreign Trade van het Ministry of Commerce in Thailand (het DFT) heeft voor alle zendingen van spaarlampen niet-preferentiële certificaten van oorsprong afgegeven. Bij brief van 1 juli 2009 heeft het DFT de certificaten met onmiddellijk effect ingetrokken. Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (hierna: OLAF) heeft vervolgens, in de periode van 18 tot 25 augustus 2010, onderzocht of antidumpingrechten op de spaarlampen uit China via Thailand werden ontdoken. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft OLAF een missierapport met dagtekening 20 oktober 2010 opgesteld. Vervolgens heeft de Inspecteur bij brief van 23 februari 2011 belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen uitnodigingen tot betaling (utb’s) uit te reiken. Belanghebbende heeft op de aankondigingen gereageerd, waarna de Inspecteur op 30 maart 2011 twee utb’s heeft uitgereikt. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de utb’s ten onrechte aan haar zijn uitgereikt. Zowel voor rechtbank Haarlem (de Rechtbank) als hof Amsterdam (het Hof) is – voor zover in cassatie van belang – in geschil of (i) of de Chinese oorsprong van de goederen voldoende aannemelijk is gemaakt en (ii) of de voorwaarden van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW zijn vervuld. Belanghebbende neemt voor het Hof tevens de stelling in dat ambtenaar [F] niet door de Rechtbank gehoord had mogen worden. Zowel de Rechtbank als het Hof oordelen dat uit de gedingstukken volgt dat de spaarlampen van niet-preferentiële oorsprong zijn en dat geen sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten, zodat artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW niet van toepassing is. Het Hof oordeelt tot slot dat belanghebbendes stelling, dat ambtenaar [F] niet gehoord had mogen worden, feitelijke grondslag mist, nu [F] niet als getuige is gehoord maar tot bijstand van de Inspecteur bij het onderzoek ter zitting bij de Rechtbank aanwezig was. In cassatie voert belanghebbende samengevat aan dat (1) het Hof de bepalingen inzake de niet-preferentiële oorsprong van artikel 24 van het CDW onjuist heeft toegepast en is uitgegaan van onjuiste gegevens, (2) aan alle voorwaarden voor toepassing van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW is voldaan, (3) [F] niet tot bijstand maar als getuige aanwezig was bij het onderzoek ter zitting bij de Rechtbank en zijn verklaring daarom buiten beschouwing had moeten worden gelaten, en (4) het Hof haar een vergoeding van proceskosten en griffierechten had moeten toekennen. Ter zake van het eerste cassatiemiddel wijst A-G Ettema erop dat uit de rechtspraak van het HvJ volgt dat de oorsprong van de spaarlampen wordt bepaald aan de hand van de assemblagehandeling die vanuit technisch oogpunt en gelet op de omschrijving van de spaarlamp de bepalende productiefase uitmaakt tijdens welke de bestemming van de gebruikte samenstellende delen wordt geconcretiseerd en de spaarlamp zijn specifieke kwalitatieve eigenschappen verkrijgt. Het Hof is van oordeel dat niet aan deze voorwaarde wordt voldaan. Volgens A-G Ettema heeft het Hof daarbij de juiste toets aangelegd, is het oordeel voorts feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk. Ook voor het overige kan het middel niet slagen. Bij de behandeling van het tweede cassatiemiddel gaat A-G Ettema in op de voorwaarden voor toepassing van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW. Overwegende dat de Thaise autoriteiten geen douaneautoriteiten zijn in de zin van voormeld artikel, en evenmin sprake is van een actieve gedraging van de Nederlandse douaneautoriteiten, komt zij tot de slotsom dat niet aan de voorwaarden is voldaan. Belanghebbendes standpunt, dat een bijstandsverlener in de zin van artikel 8:24, lid 1, van de Awb, een raadsman/raadsvrouw of een vertegenwoordiger van een bestuursorgaan dient te zijn vindt volgens de A-G geen steun in het recht. Het derde cassatiemiddel faalt daarom ook. Hoewel het Hof belanghebbende met betrekking tot één geschilpunt gelijk heeft gegeven, heeft dat niet geleid tot (gedeeltelijke) vernietiging van de bestreden besluiten. Het Hof was volgens de A-G dan ook niet gehouden griffierechten te vergoeden en een proceskostenvergoeding toe te kennen. Ook het vierde cassatiemiddel faalt dus. A-G Ettema concludeert dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken