Conclusie A-G Ettema 7 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1253

Belanghebbende heeft in de periode van 2 oktober 2007 tot en met 13 maart 2008 vier aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van spaarlampen. In deze aangiften heeft zij Thailand als land van oorsprong aangegeven. Het Department of Foreign Trade van het Ministry of Commerce in Thailand (het DFT) heeft voor alle zendingen van spaarlampen niet-preferentiële certificaten van oorsprong afgegeven. Bij brief van 1 juli 2009 heeft het DFT de certificaten met onmiddellijk effect ingetrokken. Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (hierna: OLAF) heeft vervolgens, in de periode van 18 tot 25 augustus 2010, onderzocht of antidumpingrechten op de spaarlampen uit China via Thailand werden ontdoken. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft OLAF een missierapport met dagtekening 20 oktober 2010 opgesteld. Voordat respectievelijk nadat het missierapport gereed was, heeft de minister van Economische Zaken namens de Inspecteur bij brieven van 10 september 2010 en 17 december 2010 belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen uitnodigingen tot betaling (utb’s) voor antidumpingrechten uit te reiken. Belanghebbende heeft het missierapport, inclusief de bij het missierapport behorende bijlagen die zien op andere exporteurs, medio december 2010 ongeclausuleerd in mogen zien. Op 13 december 2010 heeft de Inspecteur het missierapport, zonder de bijlagen die zien op andere exporteurs, aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft op de aankondigingen gereageerd, waarna de inspecteur op 30 september 2010 en 12 januari 2011 twee utb’s heeft uitgereikt. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de utb’s ten onrechte aan haar zijn uitgereikt. Zowel voor rechtbank Haarlem (de Rechtbank) als hof Amsterdam (het Hof) is – voor zover in cassatie nog van belang – in geschil of (i) het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging is geschonden en, zo ja, of dit dient te leiden tot vernietiging van de utb’s, (ii) of de Chinese oorsprong van de goederen voldoende aannemelijk is gemaakt en (iii) of de voorwaarden van artikel 220, lid 2, onder b van het CDW zijn vervuld. Ter zake van geschilpunt (i) oordeelt de Rechtbank dat het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging niet is geschonden, omdat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld haar standpunten met betrekking tot het voornemen om de utb’s op te leggen kenbaar te maken. Verder acht de Rechtbank aannemelijk dat partijen over dezelfde stukken beschikken en dat belanghebbende geen (relevante) stukken zijn onthouden. Het Hof oordeelt over dit geschilpunt dat belanghebbende voldoende op de hoogte is gesteld van het voornemen utb’s uit te reiken, waaronder begrepen de achtergrond van dit voornemen, en dat belanghebbende niet althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet adequaat kon reageren, laat staan dat deze procedure onder andere omstandigheden een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Ook oordeelt het Hof dat het complete missierapport aan belanghebbende had moet worden verstrekt, maar verbindt geen gevolgen aan het niet verstrekken van de bijlagen die zien op een andere exporteur aangezien de bevindingen van de OLAF-missie ten aanzien van de andere exporteur en de daaruit getrokken conclusies reeds volledig kenbaar zijn voor belanghebbende. Zowel de Rechtbank als het Hof oordelen verder dat uit de gedingstukken volgt dat de spaarlampen van niet-preferentiële oorsprong zijn en dat geen sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten, zodat artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW niet van toepassing is. In cassatie voert belanghebbende samengevat aan dat (1) het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging, het Unierechtelijke beginsel van behoorlijk bestuur en het Unierechtelijke recht op inzage van stukken zijn geschonden omdat zij voorafgaand aan het uitreiken van de eerste utb, niet de beschikking had over het (concept)missierapport en alle daarbij behorende bijlagen, (2) het Hof de bepalingen inzake de niet-preferentiële oorsprong van artikel 24 van het CDW onjuist heeft toegepast en is uitgegaan van onjuiste gegevens, (3) aan alle voorwaarden voor toepassing van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW is voldaan, en (4) het Hof haar een vergoeding van proceskosten en griffierechten had moeten toekennen. A-G Ettema leidt uit het Unierecht af dat het inzagerecht een integraal onderdeel vormt van het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging. Het Unierecht schrijft echter niet voor onder welke voorwaarden het inzagerecht moet worden gewaarborgd. Deze leemte dient naar haar mening door het nationale recht te worden opgevuld. De A-G meent dat belanghebbende in beginsel op het moment dat de Inspecteur zijn voornemen kenbaar maakte een utb op te leggen inzage had moeten krijgen in alle documenten waarop de douaneautoriteiten zich hebben gebaseerd. Indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de Inspecteur beschikte over een conceptmissierapport, luidt haar conclusie dat voornoemd beginsel te dezen is geschonden. Uit het arrest Kamino en Datema van het HvJ volgt echter dat een dergelijke schending eerst tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit leidt, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Het Hof heeft geoordeeld dat dit niet het geval is. Het eerste cassatiemiddel faalt daarom. Ter zake van het tweede cassatiemiddel wijst A-G Ettema erop dat uit de rechtspraak van het HvJ volgt dat de oorsprong van de spaarlampen wordt bepaald aan de hand van de assemblagehandeling die vanuit technisch oogpunt en gelet op de omschrijving van de spaarlamp de bepalende productiefase uitmaakt tijdens welke de bestemming van de gebruikte samenstellende delen wordt geconcretiseerd en de spaarlamp zijn specifieke kwalitatieve eigenschappen verkrijgt. Het Hof is van oordeel dat niet aan deze voorwaarde wordt voldaan. Volgens A-G Ettema heeft het Hof daarbij de juiste toets aangelegd, is het oordeel voorts feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk. Ook voor het overige kan het middel niet slagen. Bij de behandeling van het derde cassatiemiddel gaat A-G Ettema in op de voorwaarden voor toepassing van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW. Overwegende dat de Thaise autoriteiten te dezen geen douaneautoriteiten zijn in de zin van voormeld artikel, en evenmin sprake is van een actieve gedraging van de Nederlandse douaneautoriteiten, komt zij tot de slotsom dat niet aan de voorwaarden is voldaan. Hoewel het Hof belanghebbende met betrekking tot één geschilpunt gelijk heeft gegeven, heeft dat niet geleid tot (gedeeltelijke) vernietiging van de bestreden besluiten. Het Hof was volgens de A-G dan ook niet gehouden griffierechten te vergoeden en een proceskostenvergoeding toe te kennen. Ook het vierde cassatiemiddel faalt dus. A-G Ettema concludeert dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken